Pakkende teksten

Wat is godsdienst

    door Sjaen, 15/10/2006 12:43. #2088. 2 reacties, laatste

Wij denken altijd dat godsdienst een geheel van inzichten en voorstellingen is die een richtlijn vormen voor de mens en hem voorschrijven hoe hij zich te gedragen heeft. Maar in feite moeten we godsdienst enger zien en een onderscheid maken tussen enerzijds de religieuze stemming en anderzijds de inzichten.
Rudolf Steiner op 5 januari in Mannheim ( in GA 127 "Die Mission der neuen Geistesoffenbarung"):


Wat is in werkelijkheid godsdienst, religie ? Dat is toch iets dat we moeten karakteriseren als een stemming van de menselijke ziel : de stemming voor het geestelijke, voor het oneindige. In de grond kunnen we die stemming goed karakteriseren wanneer we vertrekken van het uitgangspunt van al dergelijke stemmingen en dan moeten we dat maar tot het hoogste niveau denken. Wanneer we over een weide wandelen en een open ziel hebben voor al dat groene en bloeiende, dan zullen we een zekere vreugde gewaarworden voor het heerlijke dat zich openbaart in de bloemen en de kruiden, in datgene wat zich in het landschap spiegelt, wat in de dauwdruppel glanst. Wanneer wij een dergelijke stemming opwekken, als ons hart zich daarbij opent, dan is dat nog geen religie. Dat kan pas religie worden wanneer dit gevoel nog verder gaat, tot het oneindige dat achter dit eindige ligt, voor het geestelijke dat achter het zintuiglijke ligt. Wanneer onze ziel zo voelt dat ze de gemeenschap met het geestelijke gewaarwordt, dan komt die stemming overeen met dat wat in de religie, in de godsdienst leeft. Hoe sterker we deze stemming voor het eeuwige in onszelf kunnen maken, des te meer bevorderen wij de religie in ons of in andere mensen. Nu heeft echter de noodzakelijke ontwikkeling van de tijd meegebracht dat datgene wat in de grond impulsen dienden te zijn die het menselijke voelen en aanvoelen van het vergankelijke naar het onvergankelijke leiden, vermengd is geworden met bepaalde ideeën en opvattingen van hoe het er in het rijk van het bovenzinnelijke aan toe gaat, hoe het daar uitziet.
Daardoor echter is religie op een bepaalde manier verward geraakt met wat eigenlijk geesteswetenschap is, met iets dat eigenlijk als wetenschap moet beschouwd worden. En wij zien vandaag hoe in dit kerkelijk geloof de religie in de een of andere vorm maar kan vastgehouden worden wanneer tegelijkertijd zeer bepaalde leerstellingen overeind worden gehouden. Maar daardoor wordt dan voortgebracht wat men kan noemen het starre dogmatische vasthouden aan bepaalde voorstellingen over de geestelijke wereld. Dergelijke voorstellingen moesten natuurlijk verder evolueren omdat de menselijke geest verder evolueert. Over zo een evolutie, zo'n verder schrijden zou het echte religieuze gevoel zich het meest moeten verheugen omdat dit voortschrijden de heerlijkheden van de goddelijk-geestelijke wereld des te groter, des te prachtiger laat uitkomen. Werkelijk religieus gevoel zou nooit Giordano Bruno op de brandstapel hebben gebracht, maar zou gezegd hebben: oh, wat is God groot dat Hij zulke mensen naar de aarde zendt en door hen zulke zaken openbaart.
Daarmee zou naast het gebied van het religieuze noodzakelijkerwijze ook het gebied van het wetenschappelijk onderzoek erkend zijn geworden dat zich zowel tot de uiterlijke wereld als tot de geestelijke wereld uitstrekt. Die wetenschap moet verder schrijden, dat moet van tijd tot tijd aangepast worden aan de mensengeest die verder schrijdt.
We staan nu voor een tijd waar de wetenschap het eigenlijke geestelijke terug moet leren verstaan, waar de wetenschap moet worden wat men in het occultisme pneumatologie noemt, de leer van de geest. Wat was de wetenschap in de afgelopen (19de) eeuw ? De leer van abstracte ideeën en natuurwetten, die geen verband meer vertoonden met het werkelijke geestelijke leven. De wetenschap staat voor het punt waar ze pneumatologie moet worden, waar ze naar de geest moet terugkeren. Dat staat in de sterren van de antroposofie geschreven. En aangezien religie altijd de stemming voor het geestelijke moet brengen, zo kunnen wetenschap en religie eigenlijk alleen maar in eendracht arbeiden in tijdperken waar de wetenschap in de pneumatologie van de geest uitmondt. Daar kan de wetenschap de juiste uitleg geven over het geestelijke leven en de stemming ondersteunen die terug in de religie moet leven.


Met het opkomen van het wetenschappelijk kritisch denken werd de doodsklok geluid over de traditionele godsdiensten. De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek waren niet te verenigen met de inzichten uit lang vervlogen tijden. Die inzichten kunnen we gerust laten voor wat ze zijn, we moeten niet geloven dat de wereld op zes dagen geschapen werd. Oud en Nieuw Testament werden niet geschreven als kennisbron voor de kritische moderne mens. Deze geschriften zijn in de eerste plaats op te vatten als een krachtbron voor tientallen generaties. Dat is het belangrijkste.


We weten allemaal dat de evangelies in de loop der eeuwen hart- en zielevoedsel zijn geworden voor ontelbare mensen. We weten ook dat de meest verlichte, meest kritische naturen - en dat zijn niet de irreligieuze- deze weg (om tot Christus te komen -fdw) begonnen te verlaten omdat men met het uiterlijke weten niet meer kan uitmaken wat er eigenlijk historisch waar is van wat er in de evangelies verteld wordt.
Hadden de mensen van vroegere eeuwen de evangelies gelezen zoals een moderne geleerde dat vandaag doet, een mens die de moderne natuurwetenschappelijke scholing heeft doorgemaakt, dan zouden de evangelies nooit de geweldige werking hebben kunnen uitoefenen, de levenswerking die van hen is uitgegaan.
Nu, als de evangelies in de voorbije eeuwen niet zo gelezen zijn als een tegenwoordig ontwikkelde mens ze leest, hoe werden zij dan gelezen ? Erover te piekeren wat er zich dan toch wel zou kunnen voorgedaan hebben in het toenmalige Palestina, daar stonden de evangelielezers van vroegere tijden niet bij stil, net zo min als nog talrijke lezers van deze tijd. Diegenen die beginnen te onderzoeken wat er zich voor de ogen van de bewoners van Palestina afgespeeld heeft, die geraken er niet aan uit, aan het historisch karakter van de gebeurtenissen in Palestina. Maar zo hebben de mensen van vorige eeuwen niet gelezen. Zij hebben zo gelezen dat ze in hun zielen werken lieten beelden zoals bvb. dat van de Samaritaanse vrouw aan de bron of Christus die de Bergrede hield voor zijn leerlingen. De vraag naar de uiterlijke fysieke realiteit hield de evangelielezers helemaal niet bezig. De hoofdzaak voor hen was hoe hun hart opging, welk gevoel er speelde bij deze grote geweldige beelden. En wat verder hoofdzaak was, was wat er zich in hun hart vormde, wat ze aan kracht, aan levenszin wonnen uit deze beelden. Ze voelden dat hun uit deze beelden geestelijk levensbloed toestroomde, sterkte. Wanneer ze deze beelden op hun ziel lieten inwerken, dan voelden ze zich sterk; ze voelden dat ze zonder deze beelden zwak moesten zijn. En dan voelden ze een levendige, persoonlijke verhouding tot wat in de evangelies verteld wordt; de vraag naar de historische realiteit bekommerde hen daarbij niet. Realiteit waren de evangelies zelf, die waren daar als kracht, men had het niet nodig om te vragen vanwaar ze kwamen; men wist dat mensen ze geschreven hadden niet met aardse middelen, maar met impulsen uit de geestelijke werelden.
Ik beweer niet dat men ook vandaag nog zo moét voelen -wat men moét, hangt af van het ontwikkelingsstadium van de mensheid - maar ik beweer dat het voelen der mensen dusdanig was doorheen de eeuwen. (3)

Kan de mens een religieuze stemming behouden zonder voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld ? Nee, zegt Rudolf Steiner, en het is nog beter om verkeerde voorstellingen op te nemen dan helemaal geen voorstellingen over de geestelijke wereld op te nemen.


In de loop van de mensheidsontwikkeling zijn verschillende godsdiensten verschenen en hun stichters hebben allerlei zaken over de verhoudingen in de geestelijke wereld aan de mensen meegedeeld.
Een zgn. verstandig mens kan er zeer gemakkelijk op wijzen dat al die religiestichters verschillende zaken verkondigd hebben en zo kan hij tot de overtuiging komen : het is dus niet de waarheid, want indien het de waarheid was dan zouden al die godsdienststichters hetzelfde verkondigd hebben. En van daaruit zou men dan weer tot de conclusie kunnen komen dat eigenlijk al het gepraat over hogere werelden -door de vele tegenstrijdigheden die daarbij tevoorschijn komen, - niet kan stoelen op iets van waarheid.
Maar wat wilden dan eigenlijk de religiestichters met de voorstellingen die ze aan de mensen gaven ? Ze wilden de mensen dusdanige voorstellingen geven die de geest innerlijk sterk maken, innerlijk met lichtkracht voorzien, zodat de mens, wanneer hij door de poort van de dood de bovenzinnelijke wereld binnengaat, zijn eigen lichtdrager is, dat hij in staat is de dingen daar op eigen kracht te belichten.
De mens komt er gemakkelijk toe om te zeggen: wanneer ik mij daar laat vertellen over de bovenzinnelijke werelden, hoe kan ik dan weten dat al die voorstellingen ook werkelijk waar zijn ? Want stel je eens voor dat iemand voorstellingen zou verspreiden over de bovenzinnelijke werelden, deze voorstellingen worden door een aantal mensen opgenomen - en ze zouden verkeerd zijn, of eenzijdig, of ze zouden niet juist zij in de zin zoals men zegt dat zaken in de uiterlijke fysieke wereld niet juist zijn.
Nemen we dus aan dat die voorstellingen fout waren en dat een aantal mensen ze had aangenomen. In dergelijk geval was het nog altijd beter dat de mensen verkeerde voorstellingen hadden opgenomen dan dat ze helemaal geen voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld hadden opgenomen. Waarom ? Het is beter omdat onze ziel zich moet inspannen wanneer ze voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld aanneemt. Of die nu juist of verkeerd zijn, men moet zich inspannen en het is de inspanning die telt in de geestelijke wereld wanneer we door de poort van de dood gaan. Die inspanning is het die ons ten goede komt wanneer we de geestelijke wereld binnengaan.
Want, nemen we aan dat we ons doordrongen hebben met een totaal verkeerd idee over de geestelijke wereld, dan hebben we, door dat op te nemen, net zoals een turner zijn ledematen oefent, onze zielekrachten geoefend. En wat we geoefend hebben, dat is dan ons bezit, dat dragen we in de geestelijke wereld binnen. Door dat nu in de geestelijke wereld binnen te dragen, hebben we daar iets wat overeenkomt met het bezit van ogen in deze wereld hier. We zijn dan niet meer blind in de geestelijke wereld. Zelfs wanneer het geval zich zou voordoen dat alles verkeerd was wat we hebben opgenomen, en wij ons alleen maar ingespannen hebben, dan hebben wij daardoor ons ziele-oog versterkt en hebben wij nu de mogelijkheid om te zien wat in de geestelijke wereld voorhanden is.


Nu liggen de zaken zo dat datgene wat de verschillende religies meedelen niet volledig verkeerd is, maar dat de waarheid over de bovenzinnelijke wereld vanuit verschillend standpunten werd gegeven, ze zijn slechts schijnbaar tegenstrijdig.
Maar het wezenlijke, wat al deze religieuze systemen gemeenschappelijk hebben, is dat ze de menselijke ziel voorstellingen geven waardoor de ziel zich sterk maakt om in de geestelijke wereld binnen te treden. (4)


Het komt een beetje overeen met wat ik vanmorgen bij het tv-programma "Het Vermoeden" hoorde van de gast, Ton van der Lee:
In alles is het goddelijke. En godsdienst is universeel. Hij vergelijkt het met een veelkleurige lantaarn: het goddelijke is het witte licht in de lantaren, de verschillende kleuren glas symboliseren de godsdiensten waardoor het licht naar buiten valt.


Leni schrijft: het goddelijke is het witte licht in de lantaren, de verschillende kleuren glas symboliseren de godsdiensten waardoor het licht naar buiten valt.

Dat is mooi verwoord door Ton, bedankt Leni


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie:
 

Plaats zelf een nieuw bericht.