Pakkende teksten

Het uur U

    door Prudentia, 04/02/2011 00:52. #40591. 8 reacties, laatste

Het uur U
een gedicht (1936)

Voor St. Storm



Het was zomerdag.
De doodstille straat lag
te blakeren in de zon.
Een man kwam de hoek om.
Er speelde in de verte op de stoep
een groep kinderen, maar die groep
betekende niet veel,
maakte, integendeel,
dat de straat nog verlatener scheen.
De zon had het rijk alleen.
Zelfs zij, wier tweede natuur
hen bestemde, hier, op dit uur,
te wandelen: de student,
de dame die niemand kent,
de leraar met pensioen,
waren van hun gewone doen
afgeweken vandaag;
men miste, miste hen vaag.
Sterker: de werkman die
nog tot een uur of drie
voor bomen in 't middenpad
de kuilen gegraven had,
had zijn schop laten staan
en was elders heen gegaan.
Maar vreemder, ja inderdaad
veel vreemder dan dat de straat
leeg was, was het feit
der volstrekte geluidloosheid,
en dat de stap van de man
die zojuist de hoek om kwam
de stilte liet als zij was,
ja, dat zijn gestrekte pas
naarmate hij verder liep
steeds dieper stilte schiep.
Geen dief overtrof, geen spion,
hetgeen hij moeiteloos kon;
en het gevederd leder waarop
de god Hermes van zijn bergtop
neer te dalen placht
doorkruiste het ruim niet zo zacht
als hij op straat kon gaan,
gewoon lopend, met schoenen aan.

Hij maakte op het trottoir
het onheilspellende maar
onhoorbare gerucht
van het hoog in de lucht
verschoten vliegerbericht:
in een wolkje ploft licht
tot een blinkende ster uiteen,
en langs heel de vuurlinie heen
weet men: dit meldt het uur u,
nu gaat het beginnen, nu
verdwijnt de onzekerheid
van de mij gegunde tijd,
nu is het voor alles te laat.
De stilte die dan ontstaat
is een stilte, niet slechts naar de vorm
een stilte voor de storm,
maar een stilte van het soort
waar dingen in worden gehoord
die nog nimmer het oor vernam.
Zo ook hier. Toen de man kwam
en met zijn gestrekte pas
voortliep, begon men het gas
in de buizen onder het huis
te horen, en het gesuis
van water onder de straat,
en, in de elektrische draad
naar radio en telefoon,
een vonkende zoemertoon
als waren er bijen in de buurt.
Er werd niet gegluurd.
Gewoonlijk, als iemand passeert,
is men geïnteresseerd:
men vouwt met voorzichtige hand
vitrages terzijde, want
elke voorbijganger is
min of meer een gebeurtenis.
Was er niets te zien
aan hem?—Kwam het misschien
doordat iedereen sliep,
of doordat hij zo zacht liep,
dat geen vitrage bewoog?
Neen, neen, elk raam was oog,
was toegeschoven lid
voor het oog van een uil die zit
te spieden op zijn tak.
De stilte, die niets verbrak,
ging trillen en werd muziek.
Het is een groot woord: paniek,
maar het tekent de stille schrik
die op dit ogenblik
de ledige straat beving.
Een traag wolkje, als een eilandje in
de heldere hemel ontplooid,
beduidde het nu of nooit
ophanden zijnd offensief.
Al wie zijn kijker ophief
zag op de zee van azuur
een slagschip, klaar voor vuur.
Was het vriend of vijand?
Niet uit te maken, want
het schip voerde geen vlag.
Zoals ook de man die men zag
het minste niet droeg dat een man
van een man onderscheiden kan.
En ook de muziek zong door,
werd een groot, onzichtbaar koor.
Want sedert water en gas
en het zoemen hoorbaar was
van de elektrische stroom,
hadden ook hartklop, en droom,
en geeuw, en bloedsomloop,
en wanhoop, en stille hoop,
kortom al wat nooit stem werd,
zich gemengd in het ver concert
dat tegen wil en dank
steeds duidelijker van klank
uit de stilte kwam opgeweld.
Verlangen, doodgekneld,
een kind vermoord in een put,
riep, eensklaps wakker geschud,
om speelgoed en speelgenoot.
Want wat dood is is dood,
maar wat vermoord is leeft voort,
leeft voortaan minder gestoord
dan wat onbestorven leeft.
De daad die men naliet heeft
meer kwaad dan de daad gedaan.
Om gestorven dood te gaan
is genade, maar wee hem die
als in dubbele agonie
levens- en stervenspijn
tegelijk voelt: hij moet het ravijn
des doods over zonder brug.

Hij liep betrekkelijk vlug,
de man, maar niet vlug genoeg
of ieder raam besloeg
door de adem uit de mond
die zich sperde, maar woorden niet vond
al sperde hij zich nog zo wijd.
En tegelijkertijd
met dit onnoemlijk wee
bracht de muziek met zich mee,
—let wel, in een straat die liefst niet
rept, als het kan, van verdriet,
die, integendeel, opgewekt,
zich slechts het leed aantrekt
dat een ander ondergaat,—
let wel, in zulk een straat,
toen daar achter raam aan raam
de stamelingen tezaam
een infernale taal
aanhieven,—nog eenmaal,
geen kreet brak uit dan gesmoord,—
toen daar dit hels accoord
in de hete lucht in het rond
trilde, zodat wie daar stond
hetzelfde zou hebben gedaan
—hetgeen zeggen wil: heengegaan—
als de man die zijn schop vergat,
die kuilen gegraven had
maar de bomen niet geplant,—
toen daar dan die dissonant
schrille spiralen schreef
naar een schuldeloos wolkje dat dreef
in een onbewogen zee,—
bracht de muziek met zich mee,
—want zo is muziek: zij speelt—
terwijl inmiddels het beeld
van de schrijdende vreemdeling
langs de huizen verder ging,
dat ieder sterveling daar
een visioen werd gewaar
van schier hemelse euphorie.

De dokter, bijvoorbeeld, die
in de straat als huisdokter pas
een praktijk begonnen was
sinds hij als jong assistent
een ver strekkend experiment
had opgegeven omdat
hij er hoogstens droog brood van at,—
hem bracht de wilde muziek
terug in een stille kliniek:
hij zag zichzelf daar staan,
witte jas, rubber handschoenen aan:
in een kast langs de muur
spraken dingen van glazuur,
email, glas en metaal,
een tintelende taal
van een achter alle kwaad
verrijzende dageraad.—
De rechter zag zich staan
zonder ambtsgewaad aan:
geen toga, geen muts, geen bef:
niet dan uit rechtsbesef
en met geheven hand
deed hij zijn eed gestand:
in naam der gerechtigheid
schold hij de zonde kwijt
en had eigen schuld bekend.—
De dame die niemand kent,
het kreng, zoals men haar noemt,
zag, zonder blouse gebloemd,
zich naakt als Diana staan
in een woud: een hert kwam aan:
en toen zij zag hoe hij
knielde, knielde ook zij:
haar hand beefde, haar oog blonk
nu zij levend water dronk.—

Zo zag iedereen wat,
de één dit, de ander dat.
Maar het puur geluk dat men mocht
smaken: één ademtocht
duurde het, en werd verstoord.
Men was, als 't ware, aan boord
van een opgegeven schip,
waar men de verdwijnende stip
naoogt der reddingsboot:
zo hoog stijgt dan de nood
dat men, naar geloof gebiedt,
olie in de golven giet:
één ondeelbaar moment
treedt rust in, rust ongekend:
het schip ligt roerloos recht:
maar reeds rolt over de plecht
een zware golf, olie-vermengd,
en hetgeen voor de zee was bestemd
komt in 't vuur, ontploft, en het wrak
vol bezoedeld zeewater zakt
als een baggergevulde praam.
Zo zakte, achter elk raam,
in de spiegelgladde vloed
een mens zijn beeld tegemoet,
zijn eigen ontredderd beeld.—

O, die olie verspeeld
was geenszins verspild geweest!
Eén ogenblik had de geest
in vergezichten gedwaald
en was, door het oog van een naald,
als de kemel, binnengegaan.
In welk land kwam hij aan?
Op aarde.—In eigen land.—
Gelijk een maan was de hand
die over het voorhoofd gleed
en door een dauw van zweet
zich langzaam voortbewoog;
en ook het starend oog,
dat wijd open bleef staan,
het deed meer aan een maan
denken dan aan een zon.
Maar weldra, uit dooiende bron,
ontsprong, sprongsgewijs, het bloed,
en reeds spoelde op die vloed
—zoals na onweer een boom
de rivier afdrijft—de droom
met wat hij aanrichtte uit zicht.
Men ademde als verlicht
het amen na van een preek.
De geest, toen hij nederstreek
uit het ledige zwerk
en thuiskwam onder de zerk
van vast werk en dagelijks brood,
was dankbaar dat deze dood
hem bevrijdde van ruimtevrees.
Hij was, terug in het vlees,
moe, weliswaar, zeer moe,
maar was, platgezegd, blij toe
met dit vlees, zo zwak het was:
geen zo groot tekort in kas
dat niet geschoven kon
op die gebrekkige compagnon
die 't lot hem beschoren had.—
Maar kijk, die metgezel zat
alweer aan het schrijfbureau
te zwoegen, en wel zo,
dat de geest, beschaamd neerziend
naar die trouwe, arbeidzame vriend,
niet dan een lastige traan
verdrijvend tot hem dorst gaan.
Deze echter, uit stil verweer,
legde de pen zelfs niet neer,
schoof geen stoel bij, keek niet op.—
Er zat voor de geest niets op,
dan dat hij weer ontsteeg
naar zijn ballingsoord, blauw en leeg
tussen aarde en zon.
Even keek de compagnon
de gewillige na op zijn vlucht,
peinsde, zag in de lucht
een wolkje, en zag dat daar ging
nog steeds die vreemdeling,
nog steeds die man door de straat.

Maar, naar zich horen laat,
—want langzaam kwam men bij
uit de diepe mijmerij
en de man liep betrekkelijk vlug—
men zag hem nu op de rug.
Men had hem niet bepaald
feestelijk ingehaald;
daar was ook geen reden voor,
maar gelukkig liep hij door,
en toen de waarschijnlijkheid
dat men hem weldra kwijt
en voorgoed kwijt zou zijn,
bij elke stap terrein
en aan waarschijnlijkheid won,
gaf heel de straat, kortom
ieder en iedereen
—met uitzondering van één,
en wie aandachtig las
weet dat het de rechter was,—
gaf, behalve de rechter dan,
geheel de straat den man
—sit verbo venia—
het heilig kruis achterna.

Maar voor de zoveelste keer
prees men de dag aleer
de avond was gedaald.
Men heeft leergeld betaald,
de man was de straat nog niet uit.
Plat tegen de vensterruit,
met het vitrage-net
bloedrood in het voorhoofd geplet,
kon men hem nog zien gaan.
Toen heeft zich iets voorgedaan
dat alle beschrijving tart.
De schrik sloeg de straat om het hart.
Kokend van woede, doodsbleek,
de vuisten gebald, bekeek
men het ontzettende dat
beneden voortgang had.

De man had de kleine groep
kinderen die op de stoep
aan 't spelen waren bereikt.—

Het is vaak niet wat het lijkt,
hun spel: soms staan ze maar
en praten wat met elkaar,
de woorden zelf zijn plezier.
Dat van dit groepje van vier
er één een meisje was,
men ontdekte het pas
wanneer het oog er op viel
dat haar witte matrozenkiel
naar onder overliep tot
een plooirokje, als bij een Schot.
Eén der jongens stond met
zijn voet op een autoped
waarvan hij aantoonde dat
het richtingaanwijzers had.
“Daar wordt het geen auto door,”
zei de grootste in een plusfour.
“Van auto's gesproken,” zei
hij er medelijdend bij,
“hebben jullie er geen?”—
Het meisje zwaaide haar been
over het nikkelen stuur,
—alles aan haar was natuur:
het neusje iets opgewipt,
het haar als een jongen geknipt,
te argeloos nog voor fatsoen,—
“dat kan je bij de onze niet doen,”
zei ze, en zwaaide 't terug.
Met zijn handen op zijn rug
—waar kon hij ze hebben gedaan
met niets dan een badpakje aan?—
riep de kleinste: “Belt die bel?”
De bel belde. En hij: “Zie je wel,
bellen doen auto's niet.”
De bezitter, inmiddels, liet
met strak geworden gezicht
aldoor de vleugeltjes dicht
en klappend open slaan.
Een wonder is niet te weerstaan.
Niemand meer die iets zei.
Toen kwam de man voorbij.

Nu is er een zeker spel,
door kinderen, heb ik het wel,
‘schaduwlopen’ gedoopt.
Er loopt een man en men loopt
op zijn schaduw trappend mee.
Gewoonlijk doet men twee
passen, tegen hij één.
Het ging door merg en been,
het was hartverscheurend, de groep
in een rijtje over de stoep
achter de vreemdeling aan
huppelend mee te zien gaan.
Het sneed, sneed door de ziel.
Plusfour en matrozenkiel
dansten, als een jong paar,
arm in arm naast elkaar,
houdende aan weerskant
de twee anderen aan de hand:
de matroos hielp het badpakje, dat
een schoentje verloren had
en straks het tweede verloor,
terwijl naast de plusfour
voortholde de eigenaar
van de haastig langs het trottoir
neergezette autoped.—
Tijd, meer dan tijd werd het
dat dit een einde nam.
Uit alle huizen kwam
het driftige geluid
van tikken tegen de ruit
als riep een nijdige hen
kuikens terug naar de ren.
De kinderen luisterden niet.
Want juist was iets geschied
al hun aandacht waard.
De schaduw hield lalt, Onvervaard
sloegen zij de ogen op
en namen de vreemdeling op
die stil was blijven staan.
Nu zag hij hen ernstig aan,
de tram, een tijdlang vertraagd
het hoofd ten halve gekeerd.
Schoon niet verbouwereerd,
en die, stampvol bezet,
lieten ze elkaar niet los.
Als Klein Duimpjes in het bos,
stond nu het viertal daar
met de handen in elkaar
naar de steentjes omlaag te zien.
Het duurde een minuut misschien,
maar die een eeuwigheid was.
Toen deed de man een pas.
Met zijn vreemde, gestrekte gang
zag men—dit duurde niet lang—
hem spoedig de hoek omslaan.

Terstond ging ieder raam
wijd open, en wel zo wijd
als maar mooglijk was. 't Was tijd.
Want wat ontwaarde men daar?
De tafels stonden klaar.
Waar was dat aan te zien?
Aan de dampende soepterrien
midden op tafel geplaatst,
en aan de bordjes waarnaast
het zilver lepeltje lag.
Door open voordeuren zag
men moeders naar buiten gaan
roepend een kindernaarn
en klappende in de hand.
Er kwam van andere kant
nog een klappend gerucht.
Het kwam van hoog uit de lucht.
Het waren de mus, de spreeuw,
de merel weer en de meeuw.
Zij streken neer uit de goot.
Het sloeg, het tjilpte en floot
met trillende borst, luidkeels,
tot midden op straat, op de rails,
waarlangs thans kwam opgedaagd
de tram, een tijdlang vertraagd
door storing op het net,
en die, stampvol bezet,
rijdende wat hij kon
de verloren tijd herwon.

Maar kinderen keren, zo vlug
ze gaan, zo langzaam terug.
Zo zijn ze, zo ging het hier.
Het kostte wel een kwartier,
eer elk zijn servet voor had
en rustig aan tafel zat.
En bij de deur, op het dak,
ja zelfs op zijn dooie gemak
in 't open raamkozijn,
zong een klein vogeltje zijn
om kruimels popelend lied.
Alleen in de bomen niet.
Neen, niet in de bomen, want
die waren nog niet geplant.

Hoe mooi anders, ach, hoe mooi
zijn bloesmens en bladertooi.—
Hoe mooi? De hemel weet hoe.
Maar dat is tot daaraantoe.

Martinus Nijhoff


Stilte voor de storm...


Zandkorrel
De aarde schuilt in een korrel zand,
het heelal in een bloemblad puur,
de oneindigheid in de palm van uw hand en de eeuwigheid in een uur.
W. Blake



Prachtig hoe Blake in het kleine, tedere....het grootse ziet. # 40594

Prudentia, mag ik je vragen wat jou aanspreekt in het gedicht van Martinus Nijhoff? # 40591


#40595

de man in de straat.


Dank Prudentia voor je reactie.

Omdat het gedicht mij in eerste instantie niet aansprak, ik de kern niet kon pakken ben ik op zoek gegaan. Kwam er toen achter dat er twee tijdstippen van schrijven zijn voor dit gedicht.

In de door jou aangegeven tijd ( 1936 ), ligt de blik op de man in de straat die al gaande als niet geziene vreemdeling wiens leven zich aan hem voorbij trekt. Het laatste uur.....het uur U. ( de gedachte aan het verschijnen voor God )

In de tweede visie zou het geschreven zijn in 1942, waarbij de oorlog een rol zou kunnen spelen. Hier is de kijk op de man anders, hij wordt niet vertrouwd. Men roept zelfs de kinderen snel naar binnen. Is de man van goede of kwade zin?
Het uur U, hier als het moment vlak voor een aanval.

Kende je deze twee visie's?

In beide gevallen loopt er een man door de straat en in beide strekkingen zie ik de overeenkomst in het vreemdeling zijn.

Hoe zie jij die man. Als je tenminste zin hebt om er verder op in te gaan.
Géén zin.....ook oké hoor!




Het uur U is een van de meest beroemde gedichten van Nijhoff.
Je moet alles wat hier aan feiten vermeld staat niet letterlijk nemen, maar als schildering van zieleroerselen. Het is enigszins magisch-realistisch.
Het centrale thema is:
Maar het puur geluk dat men mocht
smaken: één ademtocht
duurde het, en werd verstoord.

De dichter beschrijft een moment van intense en ongestoorde innerlijke verstilling. En dan is er weer het ontwaken tot de barre werkelijkheid. Die barre werkelijkheid wordt in symbolische, niet letterlijk te nemen beelden beschreven.

Het thema van heel even iets zien of ervaren dat dan weer weg is komt vaak voor in de gedichten van Nijhoff, zoals bijvoorbeeld in dit wat kortere gedicht:

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.




#40599

Kende je deze twee visie's?
Ja ze zijn bij mij bekend.

Hoe zie jij die man?
Als de man in de straat.


Prudentia, dank voor je reactie.

Ik vermoed dat je het hierbij wilt laten.

Alle respect. Mocht ik er naast zitten met mijn vermoeden, hoor ik dat graag.



Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie:
 

Plaats zelf een nieuw bericht.