Bramhartigheden

Behang

    door Bram, 17/01/2009 11:08. #30998. 1 reacties, laatste

In het dorp waar ik woon was ik met kleindochter van elf jaar naar de kerstboomverbranding.
Ik kreeg een telefoontje:
‘Opa, wil jij ook naar de kerstboomverbranding?’
Ja hoor, opa wilde ook naar de kerstboomverbranding. Die vond plaats op een zandvlakte aan de rand van het dorp, zo wist kleindochter te vertellen.
Dus, kleindochter opgehaald, en samen naar de zandvlakte.

Kleindochter was opa al snel vergeten toen we aangekomen waren, want er waren klasgenootjes en vriendinnetjes en die zijn terecht veel belangrijker.
Mijn dochter zei eens in een vergelijkbare situatie: ‘Pap, als opa behoor je gewoon bij het behang. Je bent deel van het vanzelfsprekende waar je helemaal geen aandacht aan hoeft te schenken omdat het namelijk vanzelfsprekend is.’
En die vanzelfsprekendheid dat je er bent als deel van het behang is een zeer bevoorrechte positie als opa, ja, dat vind ik zelf ook. Het is eigenlijk best wel een ereplaats.

We waren te vroeg. We waren er al op het tijdstip dat aangegeven was dat je vanaf dat moment je eigen kerstboom kon inleveren. Wie een kerstboom inleverde kreeg een lootje voor na afloop uit te delen prijzen. Het kerstboomvuur zou pas een half uur daarna aangestoken worden.

Dat we te vroeg waren was voor kleindochter geen enkel probleem. Want er ook haar klasgenootjes en vriendinnetjes waren te vroeg. En omdat het koud was, vrieskoud zelfs met een gure wind, vonden ze al snel spelletjes uit waarbij je heel hard moest rennen en draven, zodat ze het er warm van kregen. Dat het grootvaderlijk behang er ondertussen geheel verkleumd bij stond te wachten tot hij zich eindelijk kon warmen aan de brandende kerstbomen, ja, daar hadden ze duidelijk geen boodschap aan. En zo hoort het.

Er was onder de klasgenootjes een negerinnetje zag ik; geen halfbloed of zo, nee, gewoon helemaal duidelijk Afrikaans zwart. Die rende en draafde heerlijk mee met de andere kinderen. Niks blank en zwart, niks apartheid, alleen spel.
En zo hoort ook dat, stelde ik tevreden vast.

En toen.

Plotseling zag ik een hand die zo’n rennend meisje in het voorbijgaan bij de arm greep.
De hand schudde het meisje heen en weer.
Er hoorde ook een boze stem bij die hand en die zei:
“Waarom ren jij toch almaar zo? Je moet ophouden met dat heen en weer rennen. Als jij zo hard rent ga je zweten, en als je zweet terwijl het zo koud is vat je kou. Dan wordt je ziek.”

Het gelaat van het meisje dat eerder alleen maar plezier uitstraalde, kreeg ineens een heel ander expressie. Ik herken, of meen althans te herkennen, het gevoel dat daarbij hoort. Je bent gelukkig, op de manier waarop de dichter Bloem dat beschreef in zijn beroemde gedicht ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat.’ En dan ineens wordt je om dat argeloze geluk afgestraft. Wat je dan voelt is een soort doffe pijn die door je hele lijf trekt.
En ik moest meteen aan Procrustus denken, waarover ik eerder schreef.
“Verminkende liefde,” schoot er als gedachte door mijn hoofd. Dat was geen mooie gedachte, zeker niet.

En verder.

De kerstbomen kwamen er aan. Ze werden aangenomen door brandweerlieden en op een grote hoop gehooid.
Ineens zag ik een vertrouwd gezicht onder een brandweerhelm.
In ons dorp is een jongeman die zwakbegaafd is. Hij loopt vaak met grote stappen door het dorp, meestal een beetje in zichzelf mompelend. Soms ziet hij je en zwaait dan met ’n arm in een joviale groet.
En die jongeman liep hier, in brandweeruniform kerstbomen te sjouwen. Hij genoot ervan, kon je zo zien, en hij verzorgde daarbij, in zichzelf pratend, zijn eigen commentaar.

Het mooie daarvan was, vond ik, dat het zo vanzelfsprekend was. Hij deed zijn werk zoals de andere brandweermannen dat deden en niemand lette in het bijzonder op hem.
Even later stond hij vlak bij mij uit te rusten.
In een opwelling wilde ik naar hem toegaan en hem zeggen hoe goed ik het van hem vond dat hij zo geweldig meesjouwde met die bomen.
"Nee, niet doen” schoot het meteen door me heen.
Als ik hem vertel hoe bijzonder het is dat hij op deze manier meedoet, is ineens het vanzelfsprekende weg dat hij er gewoon bijhoort. Juist door hem te complimenteren zou ik benadrukken dat hij anders is.
En dat zou nou precies het tegenovergestelde zijn van wat ik zo bijzonder vond: dat hij tussen die brandweermannen gewoon zomaar zichzelf kon zijn, en niet bijzonder was.

En daarom keerde ik weer snel terug naar het behang. Soms is het gewoon beter om tot het behang te behoren en het daarbij te laten.


Mooi verhaal, Bram

Die "verminkende liefde" komt me bekend voor. Bonzai-boompjes liefde noem ik hem, en hij stemt me nooit vrolijk. Ik zie hem ook vaak gepaard gaan met buitengewone boosheid in woord en beeld zoals in jouw voorbeeld, het is net of dat een (felle) tegenreactie is op iets anders.

Goed dat je je in bedwang hield om van iets bijzonders wat eigen normaal is, weer iets bijzonders te maken, bravo. Voor mij is de verleiding vaak te groot geweest om mijn eigen verrassingen uit te dragen; volgens mij ben ik dan zelf onbewust op zoek naar weer een complimentje terug voor dat "geweldige inzicht".
Komt dat voort uit de behoefte om te behagen? Of om gewoon samen een te zijn? Of willen we tegen ons Bonzai-boompje zeggen: "goh het is eigenlijk heel bijzonder dat je alle eigenschappen hebt die een normale boom ook heeft"


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: