Bramhartigheden

Abraham en het offer van Isaak

    door Bram, 29/12/2010 13:45. #39964. 4 reacties, laatste

Een voorbeeld van een verhaal dat alleen goed begrepen kan worden vanuit de tijd en de cultuur waarin het geschreven werd, is het verhaal van Abraham uit het Oude Testament waarin verteld wordt dat God aan Abraham de opdracht geeft zijn enige zoon te offeren. God zei tegen Abraham (Genesis 22):
'Ga naar het land Moria om daar je enige zoon, de jongen die je zo liefhebt, te offeren op een berg die ik je zal wijzen.'
Abraham doet wat God vraagt, en:
Vroeg in de morgen stond Abraham op, hakte het hout voor het offer, zadelde zijn ezel en ging met zijn zoon Isaak op weg naar de plaats die God genoemd had. Ook nam hij twee van zijn knechten mee.'
Op de derde dag zag Abraham de plaats in de verte liggen. Hij zei tegen zijn knechten:
‘Blijf hier met de ezel. Ik ga met de jongen naar de berg daar, om te bidden. Daarna komen we terug.'
Abraham liet zijn zoon Isaak het hout voor het offer dragen. Zelf nam hij het vuur en het mes. Zo liepen ze samen verder.
Onderweg zei Isaak :
‘Vader!’
‘Ja, wat is er mijn zoon?’.
‘We hebben nu wel vuur en hout, maar waar is het lam voor het offer?’
‘God zal zorgen voor een lam, mijn zoon,’ antwoordde Abraham.
En samen liepen ze verder.
Toen ze bij de plaats kwamen die God had aangewezen, bouwde Abraham een altaar, schikte het hout, bond Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout.
Maar, toen hij het mes pakte om zijn zoon te doden, riep een engel van de Heer uit de hemel:
‘Abraham, Abraham.’
‘Ja, ik luister’, antwoordde Abraham.
‘Raak de jongen niet aan’, zei de engel, ‘doe hem niets’.
Toen Abraham om zich heen keek, zag hij een ram die met zijn horens vastzat in de struiken. Hij liep erheen, greep het dier en offerde het in plaats van zijn zoon.

Dit verhaal wordt vaak door niet-christenen (voor zover ze het nog kennen) met verontwaardiging geciteerd. Hoe kan een god van je vragen je kind te offeren, je enige kind nog wel? En zelfs gelovige christenen kunnen er door in verwarring raken. Hoe kan hun God zo wreed zijn?
Inderdaad: hoe kan een god zo wreed zijn? Die vraag en de daarbij opkomende verontwaardiging lijken vanuit hedendaags perspectief volledig gepast en zelfs een reden om je van die god af te keren. Maar die interpretatie berust op een niet-verstaan van het verhaal volgens de tijd en de cultuur waarin het verteld werd. Want, gehoord met de oren van die tijd, staat er iets heel anders. Dat wil ik graag uitleggen. Ik moet daarvoor echter eerst een klein uitstapje maken in de geschiedenis.

Een volk waarover in het Oude Testament vaak gesproken wordt, zijn de Phoeniciërs. In de Bijbel heten ze de Filistijnen. Zij woonden aan de kust in een land dat nu Libanon heet en ze bevoeren in de bijbeltijd alle havens van de Middellandse Zee. Zij stichtten zelf ook havens, zoals Carthago, waar zich veel Phoeniciërs vestigden.
De Phoeniciërs leven nog voort in drie woorden uit onze taal: fonetisch, purper en bijbel.
De Phoeniciërs waren de uitvinders van het phonetische schrift, een manier om klanken weer te geven met abstracte tekens, precies zoals de letters uit het alfabet in onze schrijftaal. Het woord ‘fonetisch’ waarmee wij onze schrijfwijze typeren, is een verbastering van ‘Phoenicisch’.
Van de Phoeniciërs hebben we ook het woord ‘purper’. Zij hadden ontdekt hoe je de kleurstof purper kon bereiden uit de purperslak. Die kleurstof was duur en genoot groot aanzien onder de volkeren langs de Middellandse Zee, en dat aanzien is de oorzaak van de purperen kleur van het kalotje en de sjerp van de kardinalen uit de Rooms-katholieke kerk.
Ook het woord bijbel komt van de Phoeniciërs. Er was een Phoenicische stad, Biblos geheten. Daar is het woord ‘bijbel’ van afkomstig. Het betekent oorspronkelijk gewoon ‘boek zoals in Biblos gemaakt’, want in Biblos vonden ze uit hoe je een boek kon maken door vellen op te vouwen en die samen te binden. Zo ontstond een bijbel, wat toen niets anders betekende dan nu het woord boek. Volgelingen van Jezus publiceerden hun teksten op de wijze van Biblios, de Joden bleven hun teksten publiceren in de vorm van een rol. Zo ontstond het woor Bijbel, als contrast met de Joodse rollen, als kenmerk voor de teksten van de Jezus-volgelingen onder de Joden.

De Phoeniciërs hebben nog meer invloed gehad op de joodse cultuur, onder andere omdat de Joden aan hun buurvolk de Hebreeuwse schrijfletters ontleenden. De Hebreeuwse letters hebben de joodse schrijvers van het Oude Testament overgenomen van het volk dat ze in die teksten als de aartsvijanden van het joodse volk typeerden.
Maar op één punt verschilden de joden principieel van de Phoeniciërs. Dat betrof het kindoffer.

In de religie van de Phoeniciërs was het kindoffer zeer gebruikelijk. Er zijn berichten over massale offerpartijen waarbij soms honderden kinderen tegelijk aan Baäl, de Phoenicische god, werden geofferd. En ook in andere culturen waar het joodse volk in die tijd mee in contact kwam, was het kindoffer niet ongebruikelijk.
Het kind werd gezien als onbezoedeld, nog zonder zonde. Daarom werd het als middelaar naar de goden gezonden in tijden van rampspoed. Zo’n rein kind werd geacht bij de goden welkom zijn met zijn voorspraak.
Als in het verhaal over Abraham verteld wordt dat God van hem verlangt dat hij zijn zoon offert, dan is dat voor oren uit die tijd en die plaats niets bijzonders. Zo gaat dat, zo zijn de goden, zo doet men dat.

Het knappe en het bijzondere van het verhaal over Abraham en zijn zoon Isaak is dat het diepe verontwaardiging bij de lezer oproept tegen het kindoffer. Als we dat verhaal willen verstaan met oren van die tijd, is die verontwaardiging zelfs overduidelijk de opzet van het verhaal. Die wordt al meteen opgeroepen door de zin waarmee het verhaal opent:
'Ga naar het land Moria om je enige zoon, de jongen die je zo liefhebt, te offeren, op een berg die ik je zal wijzen.'
‘Je enige zoon, de jongen die je zo liefhebt’, staat hier nadrukkelijk al in de eerste zin, om het menselijke aspect voor de toehoorders meteen op de voorgrond te plaatsen.
Treffend is ook de liefdevolle relatie tussen vader en zoon getekend als Isaak zijn vader vraagt waar toch het offerlam is:
‘Vader!’
‘Ja, wat is er mijn zoon?’.
‘We hebben nu wel vuur en hout, maar waar is het lam voor het offer?’
Abraham durft zijn zoon niet te zeggen wat de bedoeling is van hun reis. In het ontwijkende antwoord horen we de wanhoop van Abraham over wat hem te doen staat en alle ouders van kinderen zullen dat toen zo hebben verstaan.

Maar dan komt, voor oren van die tijd, de geheel onverwachte ontknoping van dit menselijke drama: de God van Abraham wil helemaal geen kindoffer! Voor toehoorders uit die tijd was dat de geheel onverwachte ontknoping van dit verhaal en daarmee ook de zin en de bedoeling ervan. Dat was het verrassend nieuwe voor oren van die tijd: de God van Abraham wil geen kindoffer!

Als wij dus in onze tijd verontwaardigd reageren op het verhaal van Abraham en Isaak, dan was die verontwaardiging precies de bedoeling van dit verhaal. Zoiets doe je niet! En de God van het joodse volk wil dat ook niet, zo wordt ons hier verteld.
Met dit verhaal wordt op een voor die tijd emotioneel invoelbare manier afscheid genomen van het kindoffer. De opgeroepen verontwaardiging wordt voor die tijd duidelijk verstaanbaar gericht tegen Baäl, de god van de Phoeniciërs, want die wil wel kindoffers. Van hen wordt elders in het Oude Testament verteld:
'Het ergste was wel dat zij hun eigen zonen en dochters als offer aan hun god verbrandden. (Deuteronomium 12:31)'

Als we het verhaal van Abraham en Isaak kunnen lezen als een actueel, knap verteld emotioneel protest tegen het kindoffer, krijgt het verhaal een geheel andere betekenis dan de traditioneel-christelijke. Pas dan kunnen we gaan inzien dat dit verhaal behalve een ‘nee’ tegen het kindoffer ook een ‘ja’ bevat. Het ‘ja’ betreft het ‘luisteren’ van Abraham, nadat hij bij zijn naam genoemd wordt op het moment dat hij het mes heft om Isaak te doden. Over dat ‘luisteren’ zullen zich later twee heel verschillende opvattingen ontwikkelen binnen de joodse cultuur en het christendom. De ene stroming zal dat uitleggen als de eis tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God, hoe wreed die eis ook moge zijn. De andere stroming zal het uitleggen als een luisteren met het hart, als een totale openheid, waardoor een ander soort ‘verstaan’ van de werkelijkheid mogelijk is, waardoor zelfs ‘het koninkrijk op aarde’ zichtbaar wordt. Die tweede stroming zal onder andere uitmonden in de gnostiek.


Mosterd en Tamiem
:-)


Hun leven was "Tamiem",
ongedeeld en één.
Ik moest even de betekenis opzoeken van Tamien,mooi Trudy:)


Dat is mooi: 'hun leven was ongedeeld en één.' Zo'n verhaal kun je ook symbolisch lezen: Isaak is het kind in Abraham zelf. Abraham werd uitgenodigd om het kind in hemzelf te doden, zoals 'de Machten' dat van een mens verlangen, nu nog steeds. Bij je naam geroepen worden is typisch gnostische symboliek voor aangesproken worden op je ware zelf. Abraham wordt bij zijn naam genoemd 'Abraham, Abraham', en luistert dan naar het kind in hemzelf.
Zie logion 4:
Een man, oud van dagen, zal niet aarzelen
om een klein kind van zeven dagen oud,
te vragen naar de plaats van het leven,
en hij zal leven.


Mooi hoor, die dubbele lagen die weer in dit verhaal te lezen zijn. Ik kende van Bram gelukkig al de interpretatie van het kindoffer (ik had het altijd moeilijk met dit verhaal..) en inderdaad kun je het ook symbolisch lezen. Mooimooi.


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: