Bramhartigheden

Vreemdeling en naastenliefde

    door Bram, 01/06/2011 11:21. #41155. 1 reacties, laatste

Het Chinese confucianisme had een geheel eigen verbeelding van de werkelijkheid. Die verbeelding van de werkelijkheid beschreef Confucius als de enige echte werkelijkheid. Zijn leer beschouwde hij als ware kennis van de werkelijkheid.
Tot die confuciaanse verbeelding van de werkelijkheid behoorden allerlei definities van ieders identiteit: eerste zoon, tweede zoon etc., eerste dochter, tweede dochter, etc. Ook die nauwkeurig omschreven identiteiten werden geacht deel van de werkelijkheid te zijn.
Als kind werd je op z'n confuciaans verteld hoe en wat je was en hoe je je op grond daarvan te gedragen had.
Omdat iedereen om je heen daarin geloofde alsof die identiteiten tot de werkelijkheid zelf behoorden, nam je dat als kind ook als vanzelfsprekend over. Je geloofde in je eigen beeld.
Wij, als vreemdeling in China, kunnen makkelijk inzien dat die identiteiten louter verbeelding zijn. Ze behoren duidelijk niet tot de natuur, zoals Confucius beweerde, maar tot de verbeelding van de werkelijkheid.
Als vreemdeling in China kunnen we niet alleen de confuciaanse identiteiten als verbeelding herkennen, we zullen door dat vreemdelingschap er ook niet vatbaar voor zijn. Het vreemdelingschap maakt ons vrij daarvan.
Het wordt vast minder helder als we bedenken dat we zelf hoogstwaarschijnlijk ook opgegroeid zijn in een verbeelding van de werkelijkheid. En, net als de chinezen, hebben we die leren ervaren als de werkelijkheid zelf, ook het daarbij passende beeld van onszelf dat ons is aangeleerd. We doorzien dat niet makkelijk als bedacht, als een willekeurige afspraak.
Maar we kunnen wel leren beseffen dat we waarschijnlijk ook onszelf op die manier hebben opgesloten in een beeld van onszelf, en dat we ik zeggen tegen een verbeelding.
Kenmerkend voor zon verbeelding van het ik is dat we dat delen met een groep. Verbeeldingen van het ik zijn altijd collectief. Met dat verbeelde ik zijn we deel van een collectief. Het verbeelde ik is het lidmaatschap van een collectief, het is nooit individueel.

In het evangelie van Thomas wordt zon collectief een kudde genoemd. De spirituele opzet van het evangelie van Thomas is om de kudde te verlaten.
Dat idee roept vaak weerstand op. De kudde verlaten, dat is toch asociaal? Maar dat is het juist niet.
In de kudde bestaan niet alleen omschreven identiteiten. Er horen ook gedragsregels toe, over hoe je je hebt te verstaan met je medemens. En ook van die medemens heb je je als deel van de kudde een beeld gevormd. En dat beeld bepaalt je voorgeschreven gedrag jegens die medemens die óf een van ons is, óf een buitenstaander, een collectieve ander.

Als joch van zo'n tien jaar las ik de boeken van ene Penning over de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Die boeken had ik geleend uit de bibliotheek van de School met den Bijbel, waarop ik toen zat.
Uit die boeken leerde ik de Kaffers kennen. Dat waren boosaardige wilden die op laaghartige wijze de edele, blanke en bovenal godvrezende Boeren probeerden te vermoorden.
Aan de juistheid van die voorstelling kwam bij mij als kind natuurlijk geen enkele twijfel op. Met mijn kinderlijke geloof in de collectieve slechtheid van de Kaffers was ik toen dus een onmiskenbare racist.
Maar dat veranderde snel.
Een volgend boek uit die bibliotheek was mijn nadere kennismaking met een ander 'ras. Dat was De negerhut van oom Tom. Dat boek handelde over de negerslaven in Amerika. Het was gericht tegen de slavernij.
Negers en Kaffers waren voor mij toen van hetzelfde soort. Ik herinner me daarom nu nog hoe ik als kind verbaasd constateerde bij het lezen van De negerhut van ook Tom dat negers, en dus ook Kaffers, verdriet konden hebben, net als wij blanken. Dat was een echte knik in mijn wereldbeschouwing van toen.

Mijn meest schokkende ervaring met het racisme, zoals ongetwijfeld voor vele anderen met mij, was echter de film over het proces van Neurenberg, waarin de verschrikkingen van de massamoord op de joden (en anderen) uit de Tweede Wereldoorlog werden getoond. Veel van de afgrijselijke beelden uit allerlei filmfragmenten staan nog steeds diep in mijn geheugen gegrift.
Het is niet eenvoudig om de gevoelens die die film bij me opriep zuiver te analyseren. Toch wil ik dat proberen.
Hoe geschokt ik ook was door de beelden van de slachtoffers van de Duitse Vernichtungslager, toch ging mijn aandacht in eerste instantie niet naar hen. Die aandacht was gericht op Hitler. Met Hitler bedoel ik hier niet alleen die ene mens persoonlijk, maar ook alle anderen die met hem aan de systematische uitroeiing van de joden hebben meegewerkt. Als we erkennen dat de joden niet anders zijn, maar mens onder de mensen, is Hitler dan wel anders? Helaas niet. Ook hij was mens onder de mensen. Wat mij vooral verbijsterde was hoe je als mens tot de koudbloedige uitroeiing van je medemens in staat kon zijn, hoe je als mens een massamoord kunt organiseren zoals je een fabriek voor auto's opzet.
In Hitler ben ik mijzelf, als mens, tot probleem geworden. Het is te gemakkelijk om Hitler en zijn trawanten te rekenen tot een apart soort mensen, de boosaardige schurken. Wat Hitler heeft gedaan behoort tot de mogelijkheden van de mens, van ieder mens, dus ook van mij. Dat was wat mij verbijsterde.
Het is me daarom te gemakkelijk om mezelf eenvoudigweg tot de goeden te rekenen. Mijn zekerheid bij deze bespiegelingen, mijn innerlijk baken, is de afschuw die die beelden uit de film over het proces van Neurenberg opriepen. Maar die afschuw maakt me ook onzeker. Als ik me afvraag hoe dit mogelijk was, dan houdt dat ook de vraag in: wie ben ik?

Inderdaad, hoe kun je vergeten dat je medemens verdriet kan hebben, kan lijden? Hoe kun je mensen die niets misdaan hebben in koelen bloede vermoorden?
Dat kun je doen door van jezelf en je medemensen collectieve beelden te maken. Alleen beelden kunnen liefdeloos gedrag jegens een medemens rechtvaardigen. Als je jezelf collectief rekent tot de goeden, bijvoorbeeld als Ariërs, en de ander collectief rekent tot de kwaden, bijvoorbeeld als Joden, dan kan het vernietigen van die ander zelf als morele plicht worden ervaren.

Maar, als je de moed hebt om de kudde te verlaten, alle beelden van jezelf en de medemens los te laten, dat wil zeggen een vreemdeling te worden zoals wij westerlingen dat kunnen in China, dan zijn alle mensen alleen nog maar mensen, net als jij en ik.
Het vreemdelingschap schept de vrijheid die nodig is voor de ervaring van waarachtige lotsverbondenheid met de medemens, niemand uitgezonderd. Het vreemdelingschap is de poort tot de naastenliefde.
En zo kunnen we ook de zelfloosheid van het boeddhisme begrijpen: als het vreemdelingschap jegens alle afgesproken collectieve ikken. Al die afgesproken ikken bestaan alleen in de verbeelding van de werkelijkheid.



Als kind was ik ook zeer onder de indruk van het boek de Negerhut van oom Tom.

Nu lees ik het boek van Nelson Mandela: Lange weg naar de Vrijheid.

Eigenlijk ervaar ik haas dezelfde emotie als bij de Negerhut van oom Tom. Ik val van verbazing in verbazing bij het lezen.

Vooral omdat ik dacht dat slavernij toch voorbij was. Maar niet in Zuid Afrika, waar zwarte mensen voor een schijntje voor witte mensen in de mijnen "moesten" werken.

Waar zolang rechtsongelijkheid heerste. Waar witte mensen 300 jaar ontginning van Zuid Afrika vierden en zwarte mensen 300 jaar slavernij en bezetting herdachten.


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: