Bramhartigheden

Noli me tangere

    door Bram, 12/11/2012 13:01. #43568. 0 reacties, laatste

‘Houd me niet vast’ zegt Jezus tegen Maria Magdalena, als ze hem ontmoet bij het lege graf na de krusiging. Die uitspraak in het evangelie van Johannes heeft veel vragen opgeleverd. Hij wordt vaak geciteerd als ‘Noli me tangere’. We vinden die in de volgende passage:

Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus.

Het is die laatste zin, ‘Houd me niet vast’ die door de eeuwen heen nogal wat vragen heeft opgeroepen. Wat wordt daarmee bedoeld? Waarom mag Maria Magdalena Jezus niet vasthouden?
Het is een antwoord op het voornemen van Maria Magdalena dat ze daarvoor uitspreekt. Ze wil weten waar Jezus is, zodat ze hem kan inpakken in begrippen en hem zo meenemen.

In de kerkelijke uitleg wordt hier een historische gebeurtenis beschreven. Maar we kunnen dat ook anders lezen. We kunnen dit verhaal zien als een symbolische beschrijving van een ontmoeting met de opgestane in onszelf.
De opgestane in ons bevindt zich voorbij elk begrip, voorbij alle woorden. Je kunt hem wel proberen in te pakken in begrippen en woorden, maar dan kruisig je hem opnieuw.

De opgestane is niet in de tijd. De opstanding, zoals in de nieuwtestamentische evangeliën verteld, is geen historische gebeurtenis.
De opgestane is van niemand en daarom van iedereen. Die kun je je niet als kerk toeëigenen.
De opgestane woont in elk van ons, onafhankelijk van je geloof, en vanwege de enig reden die telt: dat je mens bent.
Maar de opgestane in onszelf kunnen we daar alleen vinden als we elke uiterlijke waarheid over hem loslaten, als we bereid zijn elk beeld, elk dogma, elk oordeel over hem steeds weer te kruisigen. Dan zal hij in onszelf ook steeds weer opstaan als de levende in ons.
Daarom zegt de opgestane: 'noli me tangere,' houd me niet vast, laat me los, want alleen dan kan ik in je wonen, kan ik deel van jou bestaan worden.

Er is zijn in deze tekst uit Johannes, enkele opmerkelijke parallellen met het Oude Testament. Op een daarvan worden we gewezen door iets merkwaardigs in de tekst zelf. Er staat:
‘Na deze woorden keek ze om’.
En dan ziet ze Jezus, en ze denkt dat het de tuinman is.
Dan roept Jezus haar bij haar naam en weer staat er:
‘Ze draaide zich om’.
Dat is heel vreemd, want dan staat ze met haar rug naar Jezus.

De parallel is bij nader inzien helder. In het Oude Testament wordt verteld dat de vrouw van Lot omkeek en daardoor veranderde in een zoutpilaar. Maria kijkt ook om en wil Jezus vastpakken, een onveranderlijk beeld van hem maken, net als de dode zoutpilaren.
Maar als Jezus haar bij haar naam noemt, en haar daarmee bevestigd in zichzelf, keert ze zich weer om en herstelt daarmee de fout van de vrouw van Lot. Ze maakt van Jezus geen dodende zoutpilaar. Want hij is ‘de levende’. En we kunnen hem alleen als ‘de levende’ ontmoeten in onszelf als we hem niet in een beeld buiten onszelf, als een zoutpilaar, vastleggen, als we elk beeld de rug toekeren.

Er is een tweede opmerkelijke parallel, namelijk met een passage uit het Hooglied. Die luidt:
De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los,
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.


In deze passage van het Hooglied wordt de geliefde vastgegrepen, en niet meer losgelaten tot hij elders ondergebracht is, opgenomen in ‘mijn moeders huis’.
Jezus zegt tegen Maria in de passage hierboven dat ze hem nu juist niet moet vastpakken, meenemen en elders onderbrengen.
De tegenstelling is ongetwijfeld bewust en betekenisvol. Opnieuw blijkt dat Jezus het Oude Testament de rug toekeert.

Er is nog iets opmerkelijks. Als Maria Magdalena in het graf kijkt, zie ze dat het graf leeg is. Er liggen alleen doeken. Dat is raadselachtig. Wat moeten die doeken daar?
Na de geboorte van Jezus wordt verteld dat hij 'in doeken gewikkeld wordt'. Die doeken gelden in de gnostiek als de gevangenschap in beelden. In het lege graf zijn alleen npg de doeken overgebleven. Het graf is niet het graf van Jezus, maar van 'de doeken', de dogma's. De dogma's zijn dood. En het graf van de dogma's is verder leeg.
Ik vond daarvan een werkelijk heerlijke verbeelding op youtube. Zie hieronder. Let op: na 'de verlossing' is de hal leeg, net als het lege graf. Er is is alleen nog rechts op de trap een toekijkende vrouw. Maria Magdalena?
Is dat niet mooi gedaan?



Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: