Bramhartigheden

Vreemdeling en naastenliefde

    door Bram, 09/08/2013 12:00. #44882. 2 reacties, laatste

Als joch van zo'n tien jaar las ik de boeken van ene Penning over de Boerenoorlog. Die oorlog speelde zich af in Zuid-Afrika, rond 1900. Die boeken daarover had ik geleend uit de bibliotheek van de School met den Bijbel, waarop ik toen zat.
Uit die boeken leerde ik de kaffers kennen. Dat waren boosaardige wilden die op laaghartige wijze de edele, blanke en bovenal godvrezende Nederlandse boeren probeerden te vermoorden.
Aan de juistheid van die voorstelling kwam bij mij als kind natuurlijk geen enkele twijfel op. Met mijn kinderlijke geloof in de collectieve slechtheid van alle kaffers was ik toen dus een onmiskenbare racist.

Een volgend boek uit die bibliotheek was een nadere kennismaking met weer een ander 'ras’. Dat boek was De negerhut van oom Tom. Het handelde over de negerslaven in Amerika.
Negers en kaffers waren voor mij toen van hetzelfde collectieve soort. Ik herinner me daarom nu nog goed hoe ik als kind verbaasd constateerde bij het lezen van De negerhut van ook Tom dat negers, en dus ook kaffers, verdriet konden hebben, net als wij blanken. Dat was een echte knik in mijn kinderlijke wereldbeschouwing van toen.

Mijn meest schokkende ervaring met het racisme was jaren later de film over het proces van Neurenberg, waarin de verschrikkingen van de massamoord op de joden en anderen uit de Tweede Wereldoorlog werden getoond. Veel van de afgrijselijke beelden uit die film staan nog steeds diep in mijn geheugen gegrift.
Hoe geschokt ik ook was door de beelden van de slachtoffers van de Duitse Vernichtungslager, toch ging mijn aandacht in eerste instantie niet uit naar hen. Mijn aandacht was gericht op Hitler. Met Hitler bedoel ik hier niet alleen die ene mens persoonlijk, maar ook alle anderen die met hem aan de systematische uitroeiing van de joden hadden meegewerkt. Als we erkennen dat negers en joden niet anders zijn, maar allemaal mens met de mensen, is Hitler dan wel anders? Helaas niet. Ook hij was mens met de mensen.
Wat mij vooral verbijsterde was hoe je als mens tot de koudbloedige uitroeiing van je medemens in staat kon zijn, hoe je als mens een massamoord kunt organiseren zoals je een fabriek voor auto's opzet.
In Hitler ben ik daarom mijzelf, als mens, tot probleem geworden. Het is te gemakkelijk om Hitler en zijn trawanten te rekenen tot een apart soort mensen, de boosaardige schurken. Wat Hitler heeft gedaan behoort tot de mogelijkheden van de mens, van ieder mens, dus ook van mij. Dat was wat mij verbijsterde.
Als ik me afvraag hoe dit mogelijk was, dan houdt dat ook de vraag in: wie ben ik?
Het is me te gemakkelijk om mezelf eenvoudigweg tot de goeden te rekenen. Inderdaad, hoe kun je vergeten dat een medemens verdriet kan hebben, kan lijden?

Dat blijkt te kunnen als je jezelf en je medemensen vangt in collectieve beelden.
In de boeken over de Boerenoorlog waren dat bijvoorbeeld ‘wij de boeren’ en ‘zij de kaffers’ en ‘ In het nazisme waren dat ‘wij ariërs’ en ‘zij de joden’. Bij die tweedeling horen verhalen. In die verhalen worden waarden toegekend aan elk van deze collectiviteiten. Er wordt in beschreven hoe goed ‘wij’ zijn en hoe slecht ‘zij’ zijn.
Er zijn veel meer van dit wij-zij verhalen. Bijvoorbeeld over christenen en heidenen. Of over aanhangers van de ware christelijke leer en ketters.
‘Zij’ vertegenwoordigen het Kwaad. En daarom is het een heilige plicht hen te bestrijden, met brandstapels en Vernichtungslager en heropvoedingsgestichten, zoals de geschiedenis helaas leert.

Ook andere culturen hebben zo hun eigen verbeelding van de werkelijkheid, bijvoorbeeld in China. Het grote verhaal van de Chinese verbeelding van de werkelijkheid komt van Confucius. Zijn leer presenteerde hij als een weergave van de natuurlijke orde van de kosmos.
Kenmerkend voor de confuciaanse verbeelding van de werkelijkheid zijn de definities van ieders identiteit: eerste zoon, tweede zoon etc., eerste dochter, tweede dochter, etc. Bij elk kind past zo een eigen, speciale rol en die rol, dat is je identiteit, dat is je ware natuur, althans volgens Confucius.
Stel, je was in China de derde dochter in een gezin. Als kind werd je dan op z'n confuciaans verteld wie en hoe je was en hoe je je op grond daarvan te gedragen had jegens je ouders, je medegezinsleden en je medechinezen. En precies datzelfde gold voor alle derde dochters. Je behoorde als derde dochter in dit ene gezin tot het collectief van alle derde dochters in alle overige gezinnen, allemaal met dezelfde identiteit en met hetzelfde gepaste gedrag.
Confucius had ook zijn eigen definitie van het Kwaad: de verstoring van de natuurlijke orde. Wat kon er dan voor ergs gebeuren?
Als men zich niet zou gedragen volgens de door Confucius beschreven natuurlijke orde, dan zou daardoor de harmonie in de hele kosmos verstoord worden. Dan zou dat oorlogen, natuurrampen, ziektes en allerlei andere vreselijke dingen veroorzaken.
Daarom moest elke afwijking van het collectief bepaalde gedragscodes bestreden worden. Er was in het confuciaanse China geen enkele ruimte voor persoonlijke ontplooiing. Persoonlijke ontplooiing was het kosmische Kwaad zelf.
Komt die toekenning van de identiteiten vanuit een ideologie je vreemd voor? Wel, de meest omvattende collectieve identiteitstoekenning is die van de verzoeningsleer van het christendom. Daarin wordt verteld dat je als mens al vanaf je geboorte zondig bent. En dat geldt voor alle mensen op aarde. Ook daar zit dus werkelijk geen enkele persoonlijke variatie meer in. En als je het daar niet mee eens bent, dan ben je een ketter en moet je bestreden worden. En met die fundamentele ontkenning van de goedheid van de menselijke eigenheid is de verzoeningsleer niet wezenlijk anders dan het confucianisme.
En de angst voor de chaos die zou optreden volgens Cunfucius als men zich niet aan zijn natuurlijke orde zou houden, is niet wezenlijk anders dan de angst voor de hel van het christendom, of de angst voor de joden van de nazis.
‘Angst is de macht van de Duisternis,’ staat in het Gesprek met de Verlosser, een van de Nag Hammadi-geschriften.

Wij westerlingen kunnen makkelijk inzien dat die confuciaanse identiteiten daar louter op verbeelding berusten. Het zijn ficties, verzinsels, meer niet, en dat is voor ons vreemdelingen in China duidelijk. We zijn daar niet in thuis. We wonen niet in het confuciaanse grote verhaal over de werkelijkheid.
Als vreemdeling in China kunnen we niet alleen de confuciaanse identiteiten als verbeelding herkennen, we zullen door dat vreemdelingschap er ook niet vatbaar voor zijn, ook niet voor de angst die daarbij hoort. Het vreemdelingschap maakt ons vrij daarvan.
En zo zouden wij ons ook als vreemdeling kunnen opstellen tegenover alle grote verhalen die mensen opleggen wie en hoe ze zijn.
Dat bewuste vreemdelingschap is een wezenlijk onderdeel van de gnostiek. Alleen door alle opgelegde identiteiten los te laten kunnen we waarachtig mens worden, mens met de mensen, en kunnen we alle collectieve ordes van ‘wij’ en ‘zij’ loslaten.

Het lied van de parel
Het opgaan in een groot verhaal en de bevrijding daaruit wordt op aanschouwelijke wijze beschreven in Het Lied van de Parel, een van de ontdekkingen van de Nag Hammadi-geschriften.
Het verhaal vertelt over een koningszoon die door zijn ouders naar een ver land gestuurd wordt. De koningszoon krijgt de opdracht in het verre land een parel te zoeken.
Daar aangekomen ervoer hij zichzelf aanvankelijk als een vreemdeling. Hij kende de zeden en gewoonten van het verre land niet. Maar dan neemt hij de zeden en gewoonten van het vreemde land aan en wordt zo een 'zoon van het land'.
Daardoor vergeet hij echter wie hij van oorsprong is, waar hij vandaan kwam en wat zijn opdracht was.
Maar dan komt er een boodschapper van zijn ouders. Die herinnert hem aan zijn afkomst. Nu weet hij weer wie hij is en hij herinnert zich ook zijn opdracht. Hij herstelt zijn vreemdelingschap. Door weer vreemdeling te worden, kan hij zichzelf herinneren. Hij wordt dan weer een ‘zoon des mensen’.
Hij slaagt erin de parel te vinden en hij keert terug naar zijn geboorteland en wordt daar koning in zijn eigen koninkrijk.
Het Lied van de Parel verbeeldt de staat van de mens die verdwaald is geraakt in een vreemde werkelijkheid, zichzelf vergeten is en vervolgens door een boodschapper weer aan zijn ware aard herinnerd wordt en zo leert zichzelf en zijn bestemming te hervinden. In de gnostische teksten is Jezus die boodschapper.

De vreemdeling
Ik keer nog eens terug naar mijn jeugd, naar mijn eigen vroege ervaring als vreemdeling.
Toen ik nog een kind was, bezocht ik trouw elke zondag de kerk, aan de hand van mijn moeder. Met drie pepermuntjes in de broekzak. Zo hoorde dat in ons gezin.
Daar, in die kerk, was een man die het verzamelde volk elke zondag ernstig toesprak. Ik begreep er niet veel van, maar één ding werd me toch gaandeweg duidelijk. Alle mensen in de kerk hadden iets vreselijks gedaan en daar had die man het steeds weer over - ze waren zondig. Er stond hun een vreselijke, eeuwigdurende straf te wachten en de kans om daaraan te ontkomen was heel erg klein.
Maar wat ze nou gedaan hadden, daar kwam ik niet achter. Daar fantaseerde ik wel over. En dan keek ik schuins naar mijn moeder en dacht ‘Zou zij ook...? Nee dat kon toch niet. Zij niet. Maar ze geloofde toch ook in die man z’n verhaal? En ze ging toch ook elke zondag weer terug?
En langzaam rees in mij een vermoeden. Er was een vergissing begaan. Alle mensen in het dorp waarin ik woonde hadden iets vreselijks gedaan, maar ik niet. Wat die man daar op die preekstoel vertelde ging niet over mij, daar was ik van overtuigd.
Waarom was ik daar dan? Waarom moest ik elke zondag naar die man luisteren alsof het ook over mij ging? Waarom dacht iedereen als vanzelfsprekend dat ik ook iets vreselijks gedaan had?
Misschien was ik wel op de verkeerde plaats op aarde geboren. Ik hoorde daar niet thuis.
Dat was een verwarrende gedachte. Want het gezin waartoe ik behoorde ervoer ik als een warm nest. Daar wilde ik wel degelijk bij horen. Hoe zat dat dan?
Ik werd bevestigd in mijn gevoel een vreemdeling te zijn in dat dorp toen ik naar de School met den Bijbel ging. Het onweerde ooit vreselijk. Het was midden op de dag heel donker geworden en toen kwamen er ineens van die felle flitsen en bulderende knallen.
De juffrouw zei ons dat we onze handen moesten vouwen, de ogen sluiten, het hoofd buigen, en toen begon zij hardop te bidden. Ze vroeg aan God of hij ook deze keer toch maar weer genade voor recht wilde laten gelden. Natuurlijk verdienden we om onmiddellijk neergebliksemd te worden vanwege Zijn geheel terechte toorn over onze grote zonden. Maar misschien, geheel onverdiend... enzovoort.
Ik deed stiekem mijn ogen open en keek naar de andere kinderen. En je zag meteen dat die bang waren. Dus die hadden ook iets ergs gedaan! Want waarom zou je anders bang zijn? Een jongen zat zelfs te snikken en hardop te jammeren, zo bang was hij.
Waarom zat ik daar? Wat had dit met mij te maken?
Zo rond mijn veertiende heb ik afscheid genomen van dat zondige christendom. Het christendom zoals ik dat had leren kennen maakt sedertdien geen deel meer uit van mijn leven. Maar het gevoel een vreemdeling te zijn is me altijd bijgebleven.
Vele, vele jaren later las ik over een vroege vorm van het christendom, de gnostiek. Daar wilde ik meer van weten. Er was toen net een boek verschenen van ene Hans Jonas. Ik kocht het en las het. Dat is nu bijna dertig jaar geleden.
Onlangs ben ik weer aan dat boek begonnen, en opnieuw raakte mij daarin een passage. Ik herinnerde me tijdens het herlezen nog goed hoe die passage bij de eerste lezing heftig bij mij binnenkwam omdat het wel leek alsof het over mij ging. Het is een passage over een levensgevoel, het levensgevoel een vreemdeling te zijn.
Voor alle duidelijkheid: het gaat niet over vluchtelingen en allochtonen. Het gaat over het menszijn zelf.Ik citeer:

Het concept van ‘de vreemdeling’ is een van de meest indrukwekkende elementen van de gnostiek. En het is nieuw in de geschiedenis van de mensheid. Het woord ‘vreemdeling’ is in de gnostische teksten een symboolwoord voor een fundamentele menselijke ervaring. De vreemdeling is iemand die ervaart dat hij hier niet thuishoort. De vreemdeling dwaalt verloren rond omdat hij de gebruiken niet kent van het vreemde land waar hij zich bevindt. Maar als hij zich aanpast vergeet hij dat hij een vreemdeling is, en raakt hij ontworteld in zijn eigen bestaan. Als hij zich aanpast is hij weliswaar zijn verwarring kwijt, maar hij weet niet meer wie hij is.
Het hersteld besef van het vreemdelingschap is een belangrijke stap in de heling van het lot van de vreemdeling.
De vreemdeling die zijn vreemdelingschap aanvaardt, zal zich juist daardoor thuis weten in zichzelf. De aanvaarding van het vreemdelingschap is de overwinning op het lot. Het aanvaarde vreemdelingschap schept de afstand en de vrijheid die nodig is voor de ervaring van waarachtige lotsverbondenheid met de medemens.


Joodse en Palestijnse vrouw
In een krantenbericht werd jaren geleden verteld dat een Joodse moeder en een Palestijnse moeder elk op dezelfde dag een dochtertje van 12 jaar verloren. Beiden waren omgekomen bij geweld tussen Palestijnen en Joden. Als Jodin en als Palestijnse waren deze twee vrouwen eerst elkaars vijanden. Ze zagen in elkaar alleen maar het beeld van de ander als een vijand, zoals dat hoorde als deel van hun volk. Dat oordeel was de blind makende balk in hun ogen voor het menszijn van de ander.
Maar door deze droevige gebeurtenis herkenden ze in de ander iets van zichzelf: het verdriet om het verlies van een kind. Ze bezochten elkaar en vielen elkaar in de armen. Als mens met een medemens konden ze elkaar tot troost zijn, elkaar zelfs liefhebben. Wat verdwenen was onder het vijandsbeeld was teruggekeerd: de mens in de ander en in zichzelf. Zij waren beiden mens geworden. Het koninkrijk was nu ‘tussen hen’. Zij konden hun vijand liefhebben, door achter het masker van de vijand de oorspronkelijke mens te zien, het oorspronkelijk gelaat van de ander. En door dat in de ander te zien werden ze ook zelf mens.
Als vijanden in beider grote verhaal, hebben deze Joden en Palestijnen de plicht elkaar te bestrijden. Dat is het niveau van de verbeelding, van de collectieve identiteiten. Maar het verdriet van een Palestijnse moeder die een kind in die strijd verliest, is hetzelfde als het verdriet van een Joodse moeder die een kind verliest.
Dat verdriet is echt. Dat is de waarheid van het hart.
Door trouw aan te zijn aan de waarheid van je hart, wordt je een vreemdeling voor alle afspraken over jezelf en de ander. En dan ben je gewoon een mens, mens met de mensen. Dan is naastenliefde niet meer beperkt tot ‘wij’, want dan is er geen ‘zij’ meer. Dan is iedereen je naaste. Pas dan kun je je naaste liefhebben als jezelf, als mens zoals jij.
Wie nergens bij hoort, hoort overal bij.


Krishnamurti:
Als je jezelf een Indiër noemt of een muslim of een christen of een europeaan, of wat dan ook, dan ben je gewelddadig. Begrijp je waarom het gewelddadig is?
Als je een onderscheid maakt tussen jezelf en anderen op grond van je geloof, je nationaliteit, je traditie, dan schep je daarmee een kiem van geweld.
Een mens die geweld wil begrijpen behoort tot geen enkel land, tot geen religie, tot geen politieke partij, of een kaste. Hij is dan gericht op het verstaan van het gehele menselijke bestaan.




zero degrees

Akram Khan and Sidi Larbi both are sons of Islamic families brought up in Europe.
Zero degrees follows them on a journey to seek the reference point, the source, the '0' at life's core. Inspired by their own dual identities, the two search for this middle point through polar opposites; becoming/death, light/dark, chaos/order.
An exciting collaboration between Akram Khan and Sidi Larbi, this is an opportunity to see these remarkable artists working with sculptor Antony Gormley and composer Nitin Sawhney.

www.youtube.com/watch?v=1g5fLgsSQWU







Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: