Bramhartigheden

Paard ben ik

    door Bram, 11/08/2013 16:32. #44903. 8 reacties, laatste

Wij paarden praten veel met elkaar. Wat wil je ook. Als je in een stal staat heb je niet veel anders te doen. Omdat wij in een stal van elkaar gescheiden zijn met houten balken of halfhoge muurtjes kunnen we elkaar niet aanraken. Wij kunnen elkaar niet liefkozen en we kunnen ook niet onze conflicten uitvechten met lichamelijk geweld. Wij zijn veroordeeld tot het gesprek. Als paardengemeenschap vormen wij zo het modelvoorbeeld van een redelijke samenleving.
Wij betalen daarvoor echter een hoge prijs. Onze geesten zijn vrij, maar lichamelijk zijn wij slaven, onderworpen aan de wil van de mens.
Eén van ons, Alvijn, kan uren uitweiden over deze voor ons paarden zo kenmerkende relatie tussen lichaam en geest: een vrije geest in een geketend lichaam. Het bijzondere van Alvijn is dat hij zegt in een lange traditie te staan van paarden die de ketening van het lichamelijke als voorwaarde zagen voor een vrij geestesleven. Als ons lichaam niet geketend was, zou onze geest in de kluisters raken van het vlees. Nu ons lichaam onderworpen is aan de wil van de mens, is onze geest niet meer verantwoordelijk voor de lotgevallen van het lichaam. Daar staat onze geest buiten en daarom is ze vrij.
We moeten onze lichamelijke slavernij, zegt Alvijn, beschouwen als een zegen. Wij moeten ook de heerschappij van de mens over ons lichaam in dankbaarheid aanvaarden en de mens met ons lichaam nederig dienen. Elke vorm van opstandigheid tegen de mens zou onze geest alleen maar verduisteren.
Nu denk je misschien dat Alvijn bij de mens wel in een goed blaadje moet staan. Niets is echter minder waar. Hij is uit onze stal het paard dat het vaakst de zweep krijgt. Het lijkt ook wel alsof Alvijn dat uitlokt. Hoe meer slaag hij krijgt, des te verhevener worden zijn lofzangen op de lichamelijke slavernij als voorwaarde voor geestelijke vrijheid.
Alvijn is een ruin, een gecastreerde hengst. Hij legt dat zo uit dat zijn lichamelijke zuiverheid, niet bezoedeld door de gemeenschap met een merrie, en niet door hem zo gewild, maar verkregen door de mens, uit louter genade, een blijk is van de voorzienigheid die hem daarmee voorbestemd heeft tot verkondiger van de Reine Geest. Hij beroept zich daarbij op de beroemde hengsten Aulus en Gustinus, die in een ver verleden voor het eerst de ketening van het lichamelijke in scherpe betogen wisten te verheffen tot de glorie van de geest.
Alvijn is een van de oudste paarden uit onze stal. Toen ik nog niet in de stal geworpen was, schijnt hij veel aanhang onder de paarden te hebben gehad. Maar de laatste tijd taant de belangstelling voor zijn uiteenzettingen zienderogen. Onder de jongere paarden raakt Alvijn uit de mode.
Een van onze jongste paarden, Rossoo, maakt in onze stal tegenwoordig zelfs furore met een felle aanval op Alvijn.
Rossoo is een meeslepend verteller. Ademloos luisteren we toe als hij bijvoorbeeld vertelt hoe het vroeger was. Hoe we als vrije paarden over de vlaktes renden. Hoe we verliefd werden en elkaar opzochten bij het ondergaan van de zon en lijf aan lijf, trillend en snuivend van opwinding, een stil plekje zochten tussen de bomen. Hoe hij (op dat punt gaat Rossoo altijd over op de ik-vorm en de tegenwoordige tijd) zijn kop in haar nek legt en liefkozend in haar manen bijt, terwijl zij, alsof ze hem van zich af wil schudden, haar hoofd omhoog gooit en zachtjes hinnikt.
Onder de merries in de stal gaat er altijd een gegiechel op als Rossoo vervolgens vertelt hoe zij hem plaagt door met haar staart in zijn neus te kriebelen als hij aan haar ruikt.
En hij beschrijft hoe hij, als ze weer bij de kudde terug zijn, naar haar kijkt als ze gras eet alsof er niets gebeurd is, maar aan de dromerige blik in haar ogen ziet dat ze gelukkig is. En hoe hij dan in galop slaat, zijn benen wild in de lucht schoppend, gewoon omdat hij dat niet laten kan, terwijl de andere paarden veelbetekenend naar elkaar knipogen.
Daar aangekomen zwijgt Rossoo altijd een lange tijd. In het begin was dat voor Alvijn de gelegenheid om uit te roepen: ‘Schande, schande’. Maar zijn stem klonk steeds te onvast en te hoog om geloofwaardig te zijn. Hij kon de brok in zijn keel niet verbergen. Nu zegt hij allang niets meer.
Het is dan doodstil. Dan hangen vele hoofden diep omlaag. Bij menig paard worden de ogen vochtig en bibberen de lippen. Want we weten al wat Rossoo vervolgens zal zeggen: ‘En nu, hoe is het nu met ons gesteld?’
Dan schamen we ons, omdat we ons opstandig voelen maar ook weten dat we weer gedwee zullen volgen als de mens een hengst en een merrie uit de stal haalt. Dan zullen we ons, als altijd, weer onderwerpen aan de bemoeizucht van de mens, die zich in zijn hoogmoed beter waant dan de natuur en daarom zijn handen niet thuis kan houden als de hengst de merrie bestijgt en meent de hengst daarbij te moeten helpen.
Rossoo laat niet na het vernederende daarvan in felle bewoordingen in onze zielen te prenten. Moeilijk is dat niet, want hij raakt daarmee aan een oud zeer dat hij, dat moet gezegd, meesterlijk weet uit te buiten. ‘Al miljoenen jaren’, roept hij, ‘hebben wij ons in de vrije natuur voortgeplant zonder dat wij de mens daarvoor nodig hadden. Nu denkt de mens dat wij hengsten niet weten hoe wij de liefde moeten bedrijven. De mens waant zich meester over de natuur, en moet ons, om deze waan te bevestigen, steeds weer opnieuw vernederen, door het lid van de hengst vast te pakken en bij de merrie naar binnen te brengen.’
Maar waarom zegt Rossoo dat allemaal? Waarom is het nodig steeds weer terug te komen op zaken die ons pijn doen? Wat hij vertelt raakt ons diep, maar wat heeft het voor zin?
Er zijn zelfs paarden die openlijk zeggen het te betreuren dat Rossoo in onze stal in de wereld geworpen is, ook onder degenen die de leer van Alvijn al lang niet meer aanhangen. Ik moet zeggen dat ik hen wel begrijp. Heb ik wel zo'n slecht leven als Rossoo suggereert? Ik lijdt geen honger. Ik sta in een goed onderhouden stal. Ik wordt regelmatig geroskamd. Dank zij de mens leef ik in een staat van volledige verzorging. Ik heb het gewoon goed.
‘Wat wil je eigenlijk bereiken?’ vroeg ik hem eens.
‘Mij gaat het om de waarheid,’ antwoordde hij. ‘Ik wil leven in waarheid. Alvijn leeft in een leugen. Ik wil niet leven als Alvijn. Ik wil mijn eigen waarheid zien en leven, hoe bitter die ook is.’
‘Hoe weet je dat jouw verhaal waar is en dat van Alvijn niet?’, vroeg ik hem.
‘De waarheid is de werkelijkheid zoals die is’, antwoordde Rossoo. Alvijn vervangt de werkelijkheid door een illusie. Hij heeft het wel over vrijheid, maar in de vrijheid van Alvijn ben ik niet geïnteresseerd. Dat is slechts de vrijheid om te fantaseren, los van de werkelijkheid. De waarheid van Alvijn mag indrukwekkend zijn, het is een luchtkasteel, niet meer. Het heeft niets met de werkelijkheid te maken.’
‘De werkelijkheid zit in je eigen lijf’, vervolgde Rossoo, ‘niet in mijn verhaal. Als mijn verhaal je aanspreekt, je raakt, dan voel je dat in je lijf als onrust. Die onrust is de stem van de waarheid. Maar Alvijn wil niet luisteren naar zijn eigen onrust. Hij wil die zelfs vermijden. daarom moet hij wel de geest van het lichaam scheiden, vervolgens zijn lichaam vernederen en zijn geest verheffen. Niet voor niets vallen de meeste paarden in slaap als Alvijn aan het woord is. Bij mijn verhalen maakt de onrust hen juist wakker.’
‘Ik roep die onrust bewust op met mijn verhalen. Ik verbindt de geest weer met het lichaam. Natuurlijk roept Alvijn dan schande. Ik tast zijn illusie in de wortel aan. Zijn lichaam voelt dat perfect, daar ben ik zeker van. Dat hoorde je wel aan zijn stem toen hij nog ‘Schande!’ riep. Zijn geest verzet zich zijn onrust in zijn lichaam. Het lichaam wil wel, maar de geest is laf.
‘Maar, Rossoo’, wierp ik tegen, ‘Alvijn beschrijft toch ook de werkelijkheid zoals die is. Hij geeft daar alleen een andere uitleg aan dan jij. Hij ziet ook wel dat we gevangenen zijn. Maar hij beschrijft de werkelijkheid zo dat we deze kunnen aanvaarden. Dan kunnen we beseffen dat er misschien zelfs een zin achter steekt. Maar jouw verhaal biedt geen enkele uitweg. Je hebt ons ook geen enkel plan voorgelegd om in opstand tegen de mens te komen. En als je al meent een uitweg te kunnen bieden, zou Alvijn alle reden hebben om dat juist een onwerkelijke droom te noemen.’
‘Het interesseert me niet of er een uitweg is’, antwoordde Rossoo. Alvijn biedt ons ook geen verlossing uit onze gevangenschap, hij biedt ons alleen maar de illusie van een verlossing. Zijn verheerlijking van de geest verandert niets aan ons bestaan. Alles blijft hetzelfde, met of zonder Alvijn.’
‘Biedt jij ons dan geen verlossing?’, vroeg ik.
‘Ik vertel mijn verhalen, en of jij daar wel of niet hoop uit put is jouw zaak. Ik ben niet geïnteresseerd in hoop, ook niet in wanhoop. Ik wil alleen maar ervaren hoe het is paard te zijn, zonder mezelf voor de gek te houden.’
‘Maar, dat is vreselijk’, riep ik uit. ‘Je maakt ons beschaamd, wanhopig en diep bedroefd met je verhalen en daar laat je het bij. Je hangt ons een zak haver over de kop, maar die is zo diep dat we de haver met onze lippen niet kunnen pakken. Is dat dan jouw waarheid van het paardenbestaan? Dat is bijna misdadig.’
Een van de jongste paarden, IJssen, een ijverig leerling van Gustinus, mengde zich op dat moment in het gesprek en vroeg Rossoo nogal dreigend: ‘Op grond van welke bevoegdheid zeg je deze dingen? Wie heeft je dat recht gegeven?’
Rossoo antwoordde: ‘Kijk mij eens aan, en zeg me wat je ziet’.
‘Ik zie gewoon een paard’, zei IJssen.
‘Is dat alles?’, vroeg Rossoo. Het leek alsof hij teleurgesteld was.
‘Dat is alles’, antwoordde IJssen op een toon alsof hij daarmee het pleit definitief in zijn voordeel had beslecht.
‘Je zegt het, paard ben ik en niets anders’, antwoordde Rossoo. ‘Welnu, dat is mijn bevoegdheid. Meer heb ik niet nodig. Ik hoef niet gerechtvaardigd te worden. Ik ben mijn eigen bestaansrecht. Ik besta, dus spreek ik.’
IJssen zweeg, maar de blik in zijn ogen voorspelde weinig goeds. Hij keek om zich heen als om medestanders te vinden voor zijn kwade gedachten. Maar, hoewel alle paarden de discussie tussen Rossoo en IJssen eerst met hoog opgeheven hoofd aandachtig hadden gevolgd, bleken zij het nu plotseling veel te druk te hebben met andere zaken. Alleen Alvijn bleef toekijken. Enige tijd staarde hij met een peinzende blik naar IJssen, alsof hij hem zag, en niet zag. Daarna draaide hij zijn hoofd naar Rossoo en keek hem lang en indringend aan. Terwijl hij zo zijn blik op Rossoo gericht hield, biggelden er plots tranen over zijn wangen. Het leek alsof een lang vergeten verlangen in hem oplichtte, en alsof oude pijn van vervlogen dromen weer in hem wakker werd. Even sloot hij zijn ogen, hinnikte zachtjes, liet zijn kop diep hangen en zei, stil voor zich uit, nauwelijks hoorbaar voor de andere paarden: ‘Schande, ja dat is het, schande.’



Er licht een onrustig vergeten verlangen in mij op.


Dank Bram! Zoals je weet, zit ik in een overgangsfase waarin ik terugkijk op wat ik in mijn proces de afgelopen jaren ben kwijtgeraakt. Ik heb mij meermalen afgevraagd, was het het waard? Ik had het eigenlijk toch wel goed? Ik had in feite toch alles voor elkaar? Ja, de buitenwereld had ik voor elkaar, maar van binnen was er dat verlangen wat niet meer te verloochenen was. die innerlijke roep was niet meer stil te negeren. Die innerlijke roep heeft meermaals geklonken, bij elke roep brak er een nieuwe fase aan, nog dieper als ik dacht dat ik niet meer dieper kon. En ja, ik kijk naar wat ik heb kwijtgeraakt, maar ik voel diep van binnen het koninkrijk waar ik ben binnengegaan in diepe dankbaarheid....Nu klinkt een nieuwe roep.


Wat bijzonder, Monique, die dankbaarheid bedoel ik, terwijl je veel bent kwijtgeraakt.


Het voelt ook heel bijzonder en ik moet eerlijk zeggen dat het er ook niet altijd is. Als er dan weer iets niet loopt, zoals ik het graag wil zien, dan kan ik weer even stevig zakken, maar steeds sneller kom ik weer terug bij mijn innerlijke rustpunt en is er een diep vertrouwen dat ik kom waar ik zijn moet. Dan voel ik weer dat jubeltje bij mijn hart. De weg naar mezelf was/is behoorlijk pittig, maar om met een bekende cosmeticareclame te spreken: ik ben het waard!


Alleen de zeer bijbelvasten zullen gemerkt hebben dat er in dit paardenverhaal een letterlijk citaat staat uit het Nieuwe Testament.
In Marcus 11:33 vragen de hogepriesters aan Jezus: 'Op grond van welke bevoegdheid doe je deze dingen? Wie heeft je het recht gegeven zo te handelen?'
En precies datzelfde vraagt IJssen aan Rossoo.
Jezus geeft geen antwoord. Rossoo wel.
Het antwoord van Rosso is uiteraard een variant van de beroemde uitspraak van Descartes: 'Ik denk, dus ik ben'. Het is net alsof ook Descartes zijn bestaan moet rechtvaardigen.
Als antwoord op de vraag van IJssen keert Rossoo de redenering van Descartes om: 'Ik besta, dus ik spreek.'
Mij lijkt dat de gnostische variant van Marcus.


Als ik het goed begrepen heb, dan werden de paarden nooit geweid, maar werden ze gewijd.


Behalve Rossoo dan, hè Luc, die was maar een gewoon lekenpaard.


Ik besta, dus ik denk.

www.youtube.com/watch?v=0oFMzZBb2Qs


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: