Bramhartigheden

De twee naturen van de mens

    door Bram, 16/12/2013 22:02. #45196. 8 reacties, laatste

In logion 61 van het Thomas evangelie stelt Salomé aan Jezus de vraag:
‘Mens, wie ben jij?’
Ze spreekt hem dus nadrukkelijk aan als ‘mens’ niet als Heer. Dat is al opvallend. Maar wat voor mens is hij dan?
Salomé geeft zelf al een voorlopig antwoord:
‘Het lijkt alsof je namens iemand komt.’
Het is voor haar net alsof hij een soort ambassadeur is en zichzelf wegcijfert om namens een superieur te spreken, namens god bijvoorbeeld, zoals de Joodse profeten. Misschien is Jezus ook wel zo’n profeet.
Maar Jezus maakt meteen duidelijk dat het zo niet is. Hij zegt:
‘Ik kom namens een gelijke.’
Een gelijke! Dat is nogal wat voor Joodse oren van die tijd.
Profeten zijn niet Gods gelijke. Ze zijn slechts spreekbuis van het goddelijke.
Jezus is geen spreekbuis. Hij is wezensgelijk aan het goddelijke, zegt hij hier.

Nu zal dat voor traditionele christenen niet vreemd klinken. Natuurlijk, Jezus is zelf god. Zo staat het ook in de geloofsbelijdenis van Nicea:
‘Ware god uit ware god, één in wezen met de Vader’.
Dus tot zover is er wat Thomas betreft nog niets nieuws te melden.
Het werkelijk andere staat pas in logion 108, als een eindpunt van de spirituele ontwikke-lingsweg die Thomas aanbiedt. Jezus zegt daar:
‘Wie uit mijn mond drinkt zal worden zoals ik, en ik zoals hij.’
Kan het nog duidelijker?
Het zou al duidelijk genoeg zijn geweest als hij had gezegd ‘Wie uit mijn mond drinkt zal worden als ik’. Maar hij voegt daar nog eens ten overvloede aan toe: ‘En ik zoals hij.’
Je kunt dus als mens gelijk worden aan Jezus. En dat is ook zijn bedoeling, zelfs de kern van zijn boodschap.
Dat is een heel andere Jezus dan die waaraan we misschien gewend zijn geraakt. Of beter gezegd: als het beeld van hem waaraan we gewend waren geraakt in het christelijke westen. Deze Jezus is niet verheven boven de mensen. Hij wil dat mensen aan hem gelijk worden!
Die wezenlijk andere betekenis van Jezus moeten we steeds voor ogen houden als we Tho-mas lezen: alles wat Jezus over zichzelf zegt, geldt altijd ook voor elk van ons. Er is tussen Jezus en ons in wezen geen verschil.
En dat blijkt ook uit het antwoord van Jezus op een opmerking van Thomas in logion 13:
‘Meester, mijn mond staat mij niet toe te zeggen op wie je lijkt.’
Jezus zei: ‘Ik ben jouw meester niet.’
Je kunt veel van de Jezus van het Thomas evangelie leren. Hij heeft iets te vertellen, zeker weten. Maar hij is niet wezenlijk anders dan u en ik. Hij heeft als mens onder de mensen iets ontdekt, en hij wil ons laten weten dat wij diezelfde schat, die hij als mens gevonden heeft in zichzelf, ook allemaal met ons meedragen, niemand uitgezonderd.
Maar wat is dan het bijzondere van het worden als Jezus? Wat betekent het om te zijn als Jezus?

Twee naturen

In het kerkelijk christendom wordt gewoonlijk beleden dat Jezus twee naturen had. Hij was mens én god. Die twee naturen van Jezus waren een heftig twistpunt bij het concilie van Nicea in 325. Bij dat concilie werden de dogma’s van het kerkelijk christendom vastgelegd als voortaan onbetwistbare waarheden, vervat in het credo, de christelijke geloofsbelijdenis.
Er waren toen ook christenen die meenden dat Jezus alleen goddelijk, of alleen menselijk was, dus maar één natuur had. Dat waren de zogenaamde monofysieten. Maar in Nicea werd definitief besloten dat hij twee naturen had. Zo was het, voorgoed. Discussie gesloten.
Thomas zou het met die twee naturen van Jezus helemaal eens geweest zijn.
Maar toch is er een groot en wezenlijk verschil met Thomas en het credo van Nicea. Want voor Thomas geldt dat niet alleen Jezus, maar ook elk mens die twee naturen heeft. Ook daar-in zijn we als mens gelijk aan Jezus. En hij aan ons.
Maar dat is niet alles. Het is niet genoeg dat te weten, in de vorm van een geloof bijvoorbeeld. Het gaat er om die twee naturen, mens en god, in de ervaring één te maken, met elkaar te verbinden.
Dat is wat bedoeld wordt in Thomas met ‘de twee één maken’. Het Thomas evangelie roept op tot die eenwording en biedt een weg daartoe.
Maar wat betekent het dat de mens die twee naturen heeft? Hoe kunnen we dat verstaan? En hoe kunnen we die één maken?

Christusnatuur

Als mens zijn we ons bewust van ons tijdelijk bestaan tussen geboorte en dood. Dat is het bewustzijn van onze persoonlijke natuur. De persoonlijke natuur is de mens met een geschiedenis en een persoonlijke identiteit. Daar hoort onze burgerlijke naam bij. Dat is de ene natuur: mens onder de mensen.
De tweede natuur van de mens heet in de gnostiek 'de Christus’ of de ‘Christusnatuur.’ Als bijvoorbeeld in de brief aan de Kolossenzen in het Nieuwe Testament gezegd wordt: 'Het geheim is dit: Christus woont in u,' dan is dat voor een gnosticus duidelijk verstaanbaar. Ja, dat is het geheim waar het in de gnostiek over gaat. 'De Christus' woont in elk mens. Of anders gezegd: elk mens is een Christus.
Er is hier een grote verwantschap met het boeddhistische begrip 'Boeddhanatuur'. Elk mens, alle wezens en alle dingen hebben Boeddhanatuur, leert het boeddhisme. Het spirituele pad van het boeddhisme heeft als doel het bewustzijn van de individuele mens te verenigen met zijn eigen tijdloze Boeddhanatuur, die tegelijk ook de Boeddhanatuur is van de ganse werke-lijkheid.
Ook in het hindoeïsme spreekt men over de twee naturen van de mens: Atman en Brahman noemt men die. Atman is het persoonlijk zelf, Brahman het kosmisch zelf. Ook daar gaat het om het verenigen van Atman en Brahman, van het persoonlijk bewustzijn met het kosmisch bewustzijn. In de Bhagavad Gita zegt Krishna (de goddelijke personificatie van Brahman) tegen Arjuna:
Ik ben het Zelf tronend in het hart van de mensen.
In de gnostiek wordt hetzelfde gezegd over de Christus. Elk mens heeft Christusnatuur, elk mens is een Christus. Die overtuiging ligt ten grondslag aan het Thomas evangelie.

Maar wat is dat nou, die Christusnatuur van de mens?
Je dient allereerst te beseffen dat het woord Christusnatuur maar een woord is. Het is een naam.
Is er iets in de werkelijkheid is waar die naam naar verwijst?
Het woord Christusnatuur verwijst in de gnostiek naar een universeel menselijke ervaringsmogelijkheid. In de gnostiek heeft dat de naam Christusnatuur gekregen. In andere spirituele tradities heeft het een andere naam. Maar het is steeds dezelfde menselijke mogelijkheid. Die is niet het monopolie van enige spirituele traditie. Het is iets van de mens, van alle mensen. Die spirituele tradities zijn niet meer dan een vinger naar de maan, maar ze zijn niet de maan. Dat geldt dus ook voor het woord Christusnatuur in de gnostiek. Maar waar wijst het dan naar?

De ervaring van de persoonlijke natuur van de mens en van de Christusnatuur dient men te verstaan als twee verschillende toestanden van het ene menselijke bewustzijn.
De persoonlijke natuur ervaren we als we ons bewustzijn verbinden met ons tijdelijk bestaan tussen de geboorte en dood, als deze ene mens die jij bent, in de situatie waarin jij je bevindt. Daar zeg je ‘ik’ tegen.
De Christusnatuur is een naam voor een andere toestand van hetzelfde bewustzijn waarin we onszelf ervaren als deel van het geheel, als deel van ‘het Al’ zegt de gnostiek dan. Je zou het dus, in plaats van Christusnatuur, ook eenheidsbewustzijn kunnen noemen. In de moderne psychologie spreekt men wel over het transpersoonlijke bewustzijn.
De naam doet er dus niet zo toe. Wezenlijk is dat het woord Christusnatuur verwijst naar een ervaringsmogelijkheid van elk mens, niemand uitgezonderd.
Het probleem dat men in de gnostiek schetst is dat de meeste mensen zich gewoonlijk alleen identificeren met hun tijdelijk bestaan, met hun persoonlijke natuur. Dan zijn ze afgescheiden van hun Christusnatuur. Die herkennen en ervaren ze dan niet.
Het menselijk bewustzijn kan echter geopend worden voor die grotere dimensie in onszelf. Maar waarom zou je? Wat is het belang daarvan, of, in gnostieke termen: wat is de rijkdom van die verborgen schat in onszelf?

Die andere dimensie van het bewustzijn manifesteert zich soms in een mensenleven in al zijn zuiverheid als een mystieke ervaring, die dwars door de dagelijkse ervaring heenbreekt, als een lichtstraal die plots van achter de wolken verschijnt. Die ervaring gebeurt. En die gebeurtenis heeft heel eigen kenmerken.
Het is bovenal een eenheidservaring, een ervaard besef van verbondenheid met al-wat-is, als een ondergedompeld zijn in liefde. Die ervaring van verbondenheid is een bevrijding van de liefde van elk ‘gij zult.’ In die bewustzijnstoestand is er een besef van totale vrijheid, maar dan wel een vrijheid die onlosmakelijk gekoppeld is aan liefde.
Het is ook een zijnservaring. Het geeft je een besef van een onwankelbare grond onder je bestaan. Je kunt niet meer uit de boot vallen, wat er ook gebeurt.
Een ander kenmerk van de mystieke ervaring is de tijdloosheid. Het lijkt wel alsof er in de mystieke ervaring geen tijd bestaat, alsof alle tijdelijkheid verdwenen is.
En dat alles is gevat in een besef van ‘dit is het’, dit is waar het om gaat.

Maar er is na de grootsheid van de mystieke ervaring ook altijd de kans op een nare terugval in het gewone aardse bestaan. En het contrast daarvan met de onbelemmerde goedheid van de mystieke ervaring kan als schrijnend worden ervaren. Nu zijn er spirituele tradities die daarom helemaal mikken op dat transpersoonlijke eenheidsbewustzijn, alsof het alleen daarom zou gaan, en alsof we alles wat met ons tijdelijk bestaan te maken zou hebben moeten loslaten, of zelfs verachten, alsof we daarvan verlost zouden moeten worden. Dat heet dan onthechting en egoloosheid. Maar dat zijn niet de opties van het Thomas evangelie.
Het is ook niet de opzet van het Tomas evangelie om ernaar te streven permanent in de toestand van onbelemmerde gelukzaligheid te verblijven die bij de mystieke ervaring hoort.
Het unieke van Thomas in vergelijking met andere spirituele tradities is dat het oproept tot de vereniging van die twee verschillende bewustzijnstoestanden, om die twee één te maken.
De kwaliteiten van de mystieke ervaring zijn permanent aanwezig in de mens als een innerlijk weten. Het gaat erom de stem daarvan te leren verstaan. Het doel van het spirituele pad van Thomas is dus niet het onthechten van alles wat met het lichamelijk en het tijdelijk bestaan te maken zou hebben, en ook niet egoloosheid, maar de vereniging van ieders unieke eigenheid, de persoonlijke natuur, met het tijdloze en allesomvattende eenheidsbewustzijn, hoe je dat ook noemen wilt.
Hier blijven we het Christusbewustzijn noemen. En dat is niet zonder een eigen betekenis. Want, wat betekent het woord Christus eigenlijk? Daarover in een volgende Bramhartigheid.


@de vereniging van ieders unieke eigenheid, de persoonlijke natuur, met het tijdloze en allesomvattende eenheidsbewustzijn, hoe je dat ook noemen wilt.
Hier blijven we het Christusbewustzijn noemen. En dat is niet zonder een eigen betekenis. Want, wat betekent het woord Christus eigenlijk?

Dag Bram

Het, hoe je het ook noemen wilt, spreekt me erg aan.

Het Christusbewustzijn is niet zonder een eigen betekenis.

Ik ben benieuwd naar de volgende Bramhartigheid over de betekenis (in woorden) van het woord Christus.


Van twee één maken betekent: water naar de zee dragen.

Onze alledaagse werkelijkheid is een illusie, dat wil zeggen: een denk-beeld, een in ons denken geënsceneerde voorstelling. Maar dat wil niet zeggen dat zich niet prima met die werkelijkheid laat leven, of dat we het niet merken wanneer we met 100 km per uur tegen een boom aan rijden. Ze heeft ons inmiddels tot op Mars en daar voorbij gebracht; nog even en dan drukken we in 3D levende organen af, tot eer en meerdere glorie van die illusie, als je het mij vraagt.
“Die Natur schweigt auf die Folter” zei de beroemdste Duitse dichter en zo is het in dit soort dingen ook. Zolang je het Zelf zoekt door het zelf te kastijden, zal het Zelf blijven zwijgen.
Onthechting is iets anders dan wereldverzaking of wereldverachting. Onthechting is de muntkant van het muntstuk: als je deze omdraait kijk je de waarheid die erop is geslagen recht in het gezicht: binding aan de wereld zoals die werkelijk is.

Uit de orphische traditie komt een afbeelding die de non-dualiteit voor mij haast archetypisch verbeeldt: Dionysus die in de spiegel kijkt en de wereld – onze wereld! – als zijn refexie. Onze wereld in al zijn facetten als wereld van verscheidenheid, heeft geen werkelijkheid. Wat wij zijn, zijn we als weerspiegeling, als hallucinatie van de God.Wij zijn manifestatie van de god; dat wat werkelijkheid in ons is, is god-zijn. Zoals Nisargadatta zegt “Ik ben het Absolute” zo zou ik en zo zou iedereen kunnen zeggen: “Ik ben Dionysus”.
De mystieke ervaring (die in de kern de ervaring is van het niet smaken van de dood, van de gelukzaligheid, van de grondelijke verbondenheid met alles en daarmee van Liefde, Schoonheid en Gerechtigheid) laat ons ervaren dat er geen dualiteit is; de alledaagse ervaring laat ons de dualiteit ervaren. Voor de gewone sterveling die ik ben, is vooral de laatste de alledaagse modus vivendi.
Dat wat zelfrealisatie wordt genoemd is een bestendiging van de mystieke ervaring in het alledaagse leven; geen voortdurende ekstase maar een leven in en vanuit een steeds dieper verankerd bewustzijn van de non-dualiteit. Zie je zelf vooral als de dom van Keulen, lijkt het devies. Het werk van Erik van Ruysbeek is, voor zover ik het ken, een goed verslag van dit bouwproces.


De bekendste Advaita meester uit de vorige eeuw is Ramana Maharshi. Ramana is 100% Christusbewustzijn, hij ademt liefde voor alles dat is: alle wezens, zijn berg, letterlijk voor alles dat is. Goddelijker kun je als mens niet worden.
Voor Ramana is de wereld van de verschijningen de manifestatie van het Ene en daarmee in zijn complete verschijning geheiligd, nu en altijd. De beelden en de woorden die van Ramana zijn gebleven maken duidelijk dat dit “eenheidsbewustzijn” allesbehalve een loslaten, laat staan een verachten van ons tijdelijk bestaan is. De helderheid waarmee dit Ene in hem te voorschijn komt, is haast ongezien en ongehoord; hij is de meest gepolijste spiegel die ik tot nog toe ben tegengekomen op mijn zoektocht. Ik zou niet weten hoe ik die zou kunnen afwijzen.

Ramana Maharshi en Nisargadatta Maharaj geven één opdracht en dat is de opdracht die al in Delphi aan iedere bezoeker werd gegeven: Ken u zelf. Keer je naar binnen, zoek uit wie je bent en als je lang en compromisloos genoeg zoekt zul je tot de volgende ontdekking komen: “Der Seele Grenzen kannst du nicht ausfinden, und ob du jegliche Straße abschrittest; so tiefen Grund hat sie.” (Heraklitus, fragment 45). Zelfonderzoek leidt tot het inzicht dat alles één is, dat alles uit een en dezelfde grond komt, het vernietigt het onderscheid tussen subject en object, of beter: het laat zien dat het onderscheid illusionair is. Dat is de boodschap van Advaita, van Boeddha, van de Griekse wijzen en, zo zie ik het nu: van Jezus Christus zoals deze voor mij opdoemt uit het Thomas evangelie.
Het inzicht in de illusie van het ego is in één ervaring het zicht op die ene werkelijkheid die je zo waar beschrijft. Die werkelijkheid moet simpelweg ervaren worden: onze oren, ogen, alle zintuigen moeten juist openstaan om die wereld binnen te laten zonder dat het denken met die wereld aan de haal gaat. Dat wordt bedoeld met onthechting. De `Lehre des Augenblicks´, de ´leer van het nu´ als de leer van de gedachtenlege waarnemingservaring maakt een essentieel deel uit van het non-dualiteitsdenken. De mystieke ervaring is ook altijd een ervaring van dat ´nu´; een nu dat niets anders is dan de poort naar de eeuwigheid, een nu dat de tijd zelf opheft. De alledaagse werkelijkheid die lijkt te suggereren dat tijd iets reëels is, transformeert tot een momentane werkelijkheid die ieder moment opnieuw wordt gecreëerd. Wereldverzaking is ontsporing, geen onthechting. Onthechting is loskomen van die suggestie. Aan het eind keert ze als hechting weer terug waar ze begonnen is: bij de wereld om ons heen, maar nu in een tijdloos licht. Dat is advaita, dat is de boodschap van Ramana Maharshi en Nisargadatta. Ik lees in het Thomas evangelie dezelfde opdracht.

Ik weet niet of Thomas vindt dat Jezus twee naturen had; is het niet zo dat er maar één natuur is? De Goddelijke?
Dat wat één is kan geen twee zijn. Dat wat in essentie niet aan elkaar gelijk is, kun je niet tot één maken. Dat wat in essentie aan elkaar gelijk is, hoef je in feite niet één te maken, want dat is het al. Je hoeft niets te doen, alleen maar te zien dat het zo is. Dat hebben Ramana en Nisargadatta mij geleerd. En wat ze me ook hebben geleerd: er is niets unieks in spirituele tradities. Iedere traditie slaat wel zijn eigen put; het water dat naar boven wordt gehaald krijgt zijn specifieke, eigen smaak door de lagen waardoor het naar boven kwelt, maar het komt steeds uit dezelfde bron.
De woorden verschillen steeds, maar deel van alle spirituele kennis maakt het inzicht uit dat woorden het onzegbare niet kunnen zeggen (les 1 in Tao). Het verst waar woorden naar kunnen reiken is het ongezegde in het gezegde ongezegd laten. Dat doet iedere traditie op zijn eigen manier, met zijn eigen smaak.

“ De vereniging van ieders unieke eigenheid, de persoonlijke natuur, met het tijdloze en allesomvattende eenheidsbewustzijn” schrijf je. Doelt Thomas hier op vereniging en zo ja: wat bedoelt hij dan hiermee? Een vereniging bestaat uit ten minste twee leden, zegt mijn slimme zoon. Een vereniging is niet één, zegt hij. Een vlaflip is een vereniging: onderop een laagje limonadesiroop en daarop een laagje yoghurt en daarop een laagje vanillevla. Wat doe je daarmee? Je pakt je lepel en roert alles door elkaar want anders kun je ze net zo goed in aparte kommetjes gieten. Dan krijg je niet één, dan krijg je van alles iets maar dan door elkaar. Vroeger vond ik het lekker, nu gruwel ik bij het beeld.
Wie durft zijn lippen tegen die van Christus te leggen wanneer dat zou betekenen: niet de kool en de geit mogen sparen, wanneer dat zou betekenen: water naar de zee dragen? Er zijn momenten waarop ik haast vloeibaar wordt en door het zout van mijn tranen naar niets verlang dan naar de zee.

Thomas´ (en Heraklitus´ en Laozi´s) woorden zijn zó rijk in al hun karigheid: hij heeft het erts al voor ons weggesmolten, we kijken naar puur, vloeibaar goud. Ik lees mijn eigen woorden terug en zie gestolde steen.


“”Ik weet niet of Thomas vindt dat Jezus twee naturen had; is het niet zo dat er maar één natuur is? De Goddelijke? Dat wat één is kan geen twee zijn. Dat wat in essentie niet aan elkaar gelijk is, kun je niet tot één maken. Dat wat in essentie aan elkaar gelijk is, hoef je in feite niet één te maken, want dat is het al. Je hoeft niets te doen, alleen maar zien dat het zo is.””
Neem één appel en breek hem in twee. Je zal merken dat je twee halve appels hebt. Als je de halve appels uitdeelt, dan hebben de ontvangers de indruk dat ze over één geheel beschikken, terwijl ze in realiteit slechts over een helft beschikken. Voeg deze twee helften weer samen en je hebt opnieuw één appel.
Men zegt wel eens dat men lichaam en geest één moet maken (of beter: opnieuw één moet maken). Want wat is het lichaam anders dan gestolde geest? Of zoals Einstein het zo mooi uitdrukte: E = mc²


En die twee armen van jou, Luc, hoe is het daar mee? Heb jij maar één arm? Want als je maar één lichaam hebt, kun je toch ook maar één arm hebben? (Als ik je redenering correct volg tenminste.)
En jouw woonkamer heeft die ook alleen maar één kant, bijvoorbeeld alleen de voorkant? Of alleen de achterkant? Of alleen de bovenkant? Of alleen de onderkant? Want die is toch ook één, dus die kan dan toch geen twee kanten hebben?
Even terzijde, ooit gehoord van eenheid in verscheidenheid?
En hoezo is het lichaam gestolde geest? Waar hoort dat dogma nou weer thuis? Dat mag jij best vinden hoor, ik verbaas me nergens meer over, maar je brengt het als een onbetwistbare waarheid en daar hou ik niet zo van.
De relatie met Einstein zie ik ook al niet. Einstein heeft het over materie en energie, en niet over geest.


Beste Herman,
Ik heb geen enkele behoefte om 100 % Christusbewustzijn te zijn.
En vergis je niet: ik weet waarover ik spreek.
Daaruit volgt de rest.
Bijvoorbeeld: waarom zou ik iemand serieus moeten nemen die zichzelf beschouwt als gestolde steen? Dat spoort natuurlijk met de oosterse geloofsovertuiging dat je zelfloos zou moeten worden, en evengoed met de calvinistische overtuiging dat je onbekwaam bent tot enig goed, maar ik noem het valse nederigheid. Misplaatst en erg jammer.



Vooreerst zou ik iedereen alsnog een vrolijk kerstfeest willen toewensen.

Beste Bram,

Ik begrijp niet hoe je de gedachtensprong maakt van die appel naar mijn lichaam dat maar één arm zou bevatten en naar mijn woonkamer. Zou je dat kunnen duiden alstublieft?

En jawel hoor, ik heb al gehoord van eenheid in verscheidenheid. Daar had ik het nu net over.

En een dogma? Toe nou. Dat vraagteken aan het einde van de zin nodigt uit tot een antwoord, dat laat ruimte voor discussie. Ik heb er niet de minste behoefte aan om iemand iets op te dringen. Integendeel, ik tracht iedereen uit te nodigen om zich ergens over te verwonderen, om over dingen na te denken. Spijtig dat jij je nergens meer over verbaast.

En wat Einstein betreft, die had het inderdaad over materie en energie en niet over lichaam en geest. Het lichaam valt, als ik mij niet vergis, volgens de natuurkunde onder de noemer van materie (ik ben echter geen wetenschapper, indien deze stelling foutief zou zijn, wrijf me dan aub weer geen dogma aan). Maar geest? Wat is dat eigenlijk? Kan jij me daar een antwoord op geven Bram?


Kijk Luc, er bestaat zoiets als de werkelijkheid. Tot die werkelijkheid behoren ook ervaringen. Ervaringen zijn wat ze zijn.
Maar los daarvan kun je van alles en nog wat bedenken. Maar bedenksel behoren niet tot de werkelijkheid. Het zijn namelijk bedenksels, meer niet.
Ik beschrijf hierboven twee tot de menselijke ervaring behorende bewustzijnstoestanden. Die zijn er gewoon. Die doen zich voor. Die gebeuren.
Sommige ervaringen zijn anders dan andere. Als ik mijn teen stoot aan een stoelpoot, is dat een andere ervaring dan wanneer ik geniet van een glas wijn.

Jij laat een redenering op los op die verschillende ervaringen, een bedenksel, met een schijnbaar logische redenering over eenheid en dat er dus, vanwege die eenheid, enzovoort. Ik pas diezelfde redenering, datzelfde bedenksel, toe op jouw lichaam, ad absurdum dus.
En nee, ik doe niet aan het dualisme van materie en geest. Dat laat ik aan Plato en al zijn volgelingen over. Ik reken ook dat tot het domein van de bedenksels. Dus de vraag wat geest is, is niet aan mij besteed.


Bram,

Bedankt voor dit antwoord. Ik ben het er helemaal mee eens. Ook ik ken dat gevoel van die eenheid, die ervaring. Met die appel bedoelde ik dat het erg eenvoudig is om die eenheid te zien wanneer men van uit die eenheid kan vertrekken, maar dat het niet meer zo eenvoudig is om deze eenheid nog te zien wanneer men in verscheidenheid zit (lijkt te zitten). De eenheid blijft echter nog wel bestaan.

En ja, denkbeelden opbouwen, dat doe ik inderdaad. Waarom? Om die ervaring beter te kunnen plaatsen, denk ik. Ik ben mij er echter wel ten volle van bewust dat het slechts denkbeelden zijn. Daarom heb ik in het verleden dan ook de tekst 'De Kunstenaar' geplaatst over een beeldhouwer die een volmaakt beeld had gemaakt, maar die zijn hamer opnieuw nam en er een stuk afsloeg. Pas toen kon hij er zijn ogen van afwenden.

Vriendelijke groet



Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie: