Groeiend inzicht

Het gesprek tussen twee Aartsengelen, en ...

    door johan, 14/07/2007 16:04. #7419. 6 reacties, laatste

Het gesprek tussen 2 Aartsengelen, en het gesprek tussen twee Aartsdemonen, bij de tijdeloze geboorte van de Mens


Mirdad: Bij de tijdeloze geboorte van de Mens hadden 2 Aartsengelen aan de bovenpool van het Universum het volgende gesprek:

De eerste aartsengel: De Aarde is een wonderbaarlijk kind geboren; de Aarde straalt van licht!

De tweede aartsengel:Den Hemel is een glorierijke koning geboren; het hart des Hemels springt op van vreugde !

E aengel: Hij is de vrucht van de vereniging van Hemel en Aarde.

T aengel: Hij is de eeuwige eenheid: Vader, Moeder, en Kind.

E aengel: In hem is de Aarde verheven.

T aengel: In hem is de Hemel gerechtvaardigt.

E aengel: De dag slaapt in zijn ogen.

T aengel: De nacht is wakker in zijn hart.

E aengel: Zijn borst huist vele stormen.

T aengel: Zijn keel is het ganse gamma van het lied.

E aengel: Zijn armen omspannen de bergen.

T aengel: Zijn vingers plukken de sterren.

E aengel: Zeeen bulderen in zijn gebeente.

T aengel: Zonnen beschrijven hun baan door zijn aderen.

Eerste aartengel: Een smeltoven en een gietvorm is zijn mond.

Tweede aartsengel: Een hamer en een aambeeld is zijn tong.

E aengel: Zijn voeten zijn omwonden door de ketenen van Morgen!

T aengel: In zijn hart ligt de sleutel op de ketens !

E aengel: Toch heeft dit kind de stof tot wieg.

T aengel: Maar de eonen zijn zijn windselen.

E aengel: Gelijk God bezit hij het geheimnis der getallen. Gelijk God kent hij het mysterie der woorden.

T aengel: Alle getallen kent hij, behalve het Heilige Getal ÉÉN ! behalve het Scheppende Woord, dat het eerste en het laatste is.

E aengel: Toch zal hij Het Getal en het Woord kennen.

T aengel: Niet voor hij zijn voeten afwendt van de wegenloze woestijnen der Ruimte; niet voor hij zijn blik onttrekt aan de trieste grafgewelven des Tijds.

E aengel: O, wonderbaarlijk, zéér wonderbaarlijk, is dit kind der Aarde !

T aengel: Glorierijk, zéér glorierijk, is deze Koning des Hemels !

E aengel: De Naamloze noemde hem Mens.

T aengel: En híj noemde de Naamloze God.

T aengel: God is het woord van de Mens.

E aengel: Glorie aan Hem, Wiens woord is Mens !

Tweede aartsengel: Glorie aan hem, wiens woord is God !

Eerste aartsengel: Nu en voor eeuwig.

T aengel: Hier en alom.



Mirdad: Terzelfder tijd hadden twee aartsdemonen aan de benedenpool van het Universum het volgende gesprek:

Eerste aartsdemon: Een dappere strijder heeft zich bij ons gevoegd. Met zijn hulp zullen wij overwinnen !

Tweede aartsdemon: Zeg liever een jammerende en grienende lafaard !
En verraad woont op zijn voorhoofd !
Toch.... is hij verschrikkelijk in zijn lafheid.

E ademon: Onbevreesd en wild is zijn oog.

T ademon: Schreiend en onderworpen is zijn hart. Toch...... is hij vreeslijk in zijn onderworpenheid en tranen.

E ademon: Scherpzinnig en vasthoudend is zijn verstand.

T ademon: Lui en traag is zijn oor. Toch..... is hij gevaarlijk in zijn luiheid en zijn traagheid.

E ademon: Snel en nauwkeurig is zijn hand.

T ademon: Aarzelend en loom is zijn voet. Toch..... is zijn loomheid vreeswekkend, en zijn aarzeling ontstellend.

E ademon: Ons brood zal staal zijn voor zijn zenuwen, onze wijn vuur voor zijn bloed.

T ademon: Met onze broodtrommels zal hij ons stenigen. Onze wijnkruiken zal hij verbrijzelen op onze hoofden.

E ademon: Zijn begeerte naar ons brood en zijn dorst naar onze wijn zal zijn strijdwagen zijn in de strijd.

Tweede aartsdemon: Met onverzadigbare honger en onlesbare dorst zal hij onoverwinnelijk worden en opstand teweegbrengen in ons kamp.

Eertse aartsdemon: Maar de Dood zal zijn wagenmenner zijn !

T ademon: Met de Dood als wagenmenner zal hij onsterfelijk worden !

E ademon: Zal de Dood hem dan niet in de Dood voeren ?

T ademon: De Dood zal zijn aanhoudend gekerm zo moede worden, dat hij hem ten ende in het kamp van het Leven zal mennen.

E ademon; Zal de Dood dan de Dood verraden ?

T ademon: Neen, het Leven zal trouw zijn aan het Leven !!

E ademon: Wij zullen zijn verhemelte strelen met zeldzame en genotvolle vruchten.

T ademon: Toch zal hij naar vruchten verlangen, die niet op déze pool worden gekweekt.

E ademon: Wij zullen zijn ogen en neus verlokken met heerlijke, welriekende bloemen.

T ademon: Toch zal zijn oog andere bloemen zoeken en zijn neus een andere geur.

E ademon: En wij zullen zijn oren tempteren met zoete, maar van verre komende melodiën.

T ademon: Toch zal zijn oor gericht zijn op een ander koor.

E ademon: Vrees zal hem tot onze slaaf maken.

T ademon: Hoop zal hem tegen vrees beveiligen.

E ademon: Leed zal hem aan ons onderwerpen.

T ademon: Geloof zal hem van lijden bevrijden.

E ademon: Wij zullen zijn slaap met verwarrende dromen omhullen, en zijn waakzaamheid met raadselachtige schaduwen bezaaien.

T ademon: Zijn verbeeldingskracht zal de verwarring tenietdoen, en de schaduwen doen vervluchtigen.

E ademon: Met dat al kunnen wij hem tot de onzen rekenen.

T ademon: Reken hem tot medestander, zo ge wilt; maar reken hem óók tot onze tegenstander !

Eerste aartsdemon: Kan hij tegelijk mét ons en tegen ons zijn ?

Tweede aartsdemon: Hij is een eenzame strijder op het slagveld. Zijn enige tegenstander is zijn schaduw. Al naar de schaduw zich verplaatst, zo verplaatst zich de strijd.
Hij is mét ons wanneer zijn schaduw vóór hem; hij is tegen ons wanneer zijn schaduw áchter hem valt.

E ademon: Zullen we hem dan niet voor altijd met zijn rug naar de Zon gekeerd houden ?

T ademon: Maar WIE zal de Zon voor altijd ACHTER hem houden !?

E ademon: Deze strijder is een raadsel.

T ademon: Deze schaduw is een raadsel.

E demon: Heil deze eenzame ridder !

T ademon: Heil deze eenzame schaduw !

E ademon: Heil hem wanneer hij met ons is !

Tweede aartsdemon: Heil hem wanneer hij tegen ons is !

Eerste aartsdemon: Nu en voor eeuwig.
Tweede a demon: Hier en alom.

Mirdad: Zo spraken de twee aartsdemonen aan de bendenpool van het Universum, bij de tijdeloze geboorte van de Mens.


Mirdad.


johan,

Wat het eerst in mij opkomt is, dit is
Het scheppingsverhaal van de tijdloze Mens vanuit de Bron.


Hoi Leni, ja dat lees ik er ook uit begrijp alleen veel niet zucht groetjes


johan,

"Tweede aartsdemon: Hij is een eenzame strijder op het slagveld. Zijn enige tegenstander is zijn schaduw. Al naar de schaduw zich verplaatst, zo verplaatst zich de strijd.
Hij is mét ons wanneer zijn schaduw vóór hem; hij is tegen ons wanneer zijn schaduw áchter hem valt." En wat er na komt.

Dit lijkt mij wel duidelijk; de schaduw die in logion 98 besproken wordt.


Ja, Leni zo zie ik het ook je schaduw is je ego of persoonlijkheid,karakter, wie je bent op aarde ,en die schaduw of te wel persoonlijkheid, richt zich het ene moment naar het licht en een ander moment naar het duister, tata !! dualisme is een feit onder de schaduwen.
Groetjes


:-)


Tsjonge wat hebben jullie dit 'raadsel'
leuk opgelost!
:-) complimenten!
Leo


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen wordt een bericht met http:// geblokkeerd.

Naam:
E-mail:
Reactie:
 

Plaats zelf een nieuw bericht.