De Geheime Woorden

Toelichting bij het Thomas Evangelie

Bram Moerland

Spring direct naar logion of naar het volgende logion »


De lege kruik

97

Jezus zei:
Het koninkrijk van de vader is als een zekere vrouw,
die op haar rug een kruik droeg, vol met meel.
En zo, haar weg gaande, nog ver van huis, brak een oor van de kruik af,
en het meel stroomde achter haar op de weg.
Ze merkte het niet en was zich van geen kwaad bewust.
Thuisgekomen zette ze de kruik neer en vond deze leeg.

 

Dit logion is weer van een grote schoonheid. Het is een prachtig beeld van een vrouw die op weg is, spiritueel wel te verstaan. De vrouw is in de gnostiek vaak het symbool van de menselijke ziel, van het innerlijk weten.
Deze vrouw draagt op haar rug een kruik vol met beelden, dogma’s, leerstellingen en wat al niet. Het is een zware last, en niet bepaald het lichte juk van Thomas 90.
Ze was nog ver van huis, zegt dit logion, ze was dus nog afgescheiden van zichzelf en van de Bron.

Maar onderweg op haar spirituele pad gebeurt er iets. Het oor van de kruik breekt af. De greep die de beelden, de dogma’s en de leerstellingen op haar hadden, verslapt, en zonder dat ze het zelf nog in de gaten heeft laat ze die los.

En dan komt er een moment waarin ze plotseling ervaart dat ze samenvalt met zichzelf. Ze is thuisgekomen, één met de Bron. En haar kruik is leeg. Die hoeft ze dus voortaan niet meer met zich mee te dragen. Ze is vrij.


De vertaling en toelichting van Bram Moerland bij het Thomas-evangelie is ook uitgegeven in boekvorm. Wil je dat boek bestellen? Je vindt de gegevens hier.

 


Parallellen

De parallellen zijn bedoeld voor nadere studie. Ze zijn zeker niet altijd in overeenstemming met het Thomas-evangelie. Want ook contrasten met bijvoorbeeld citaten uit de Bijbel zijn van belang voor het verstaan van de betekenis.
Ken je zelf een tekst die past bij dit logion? Het zou fijn zijn als je die hieronder wilde publiceren.



U vindt hier alle logions uit het Thomas evangelie over het koninkrijk.

Genesis 24:1-64
1 Abraham was inmiddels op hoge leeftijd gekomen en de HEER had hem in alle opzichten gezegend. 2 Nu zei Abraham tegen zijn oudste knecht, die het beheer had over zijn hele bezit: ‘Leg je hand in mijn lies: 3 ik wil dat je me bij de HEER, de God van hemel en aarde, zweert dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken onder de Kanaänieten, tussen wie ik hier woon; 4 ik wil dat je naar het land gaat waar ik vandaan kom, naar mijn familie, en dat je daar voor mijn zoon Isaak een vrouw zoekt.’ 5 De knecht antwoordde: ‘Misschien weigert die vrouw met mij mee te komen naar dit land. Moet ik uw zoon in dat geval terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?’ 6 ‘Nee,’ zei Abraham, ‘je mag mijn zoon onder geen beding daarheen terugbrengen. 7 De HEER, de God van de hemel, die mij heeft opgedragen weg te gaan bij mijn naaste verwanten en mijn geboorteland te verlaten en die mij onder ede beloofd heeft dat hij dit land hier aan mijn nakomelingen zal geven, hij zal zijn engel voor je uit sturen, zodat je daar een vrouw voor mijn zoon zult vinden. 8 Mocht die vrouw weigeren met je mee te gaan, dan ben je van deze eed ontslagen. Maar breng mijn zoon in geen geval daarheen terug.’ 9 Hierop legde Abrahams knecht zijn hand in de lies van zijn meester en zwoer hem te zullen doen wat hij gevraagd had.
10 Hij nam tien van de kamelen van zijn meester en begaf zich op weg, met allerlei kostbaarheden die hij van zijn meester meekreeg. Zo ging hij naar Aram-Naharaïm, de stad van Nachor. 11 Buiten die stad liet hij de kamelen neerknielen bij een waterput. Het was tegen de avond, omstreeks de tijd dat de vrouwen de stad uitgaan om water te putten. (Zie samaritaanse vrouw hieronder, daar midden op de dag, BM)12 Toen zei hij: ‘HEER, God van mijn meester Abraham, als u mijn meester Abraham genegen bent, laat het mij dan zo vergaan: 13 Ik sta nu bij deze bron, en de meisjes uit de stad komen hier straks water putten. 14 Het meisje dat ik vraag haar kruik van haar schouder te nemen om mij te drinken te geven en dat antwoordt: “Ga uw gang, ik zal ook uw kamelen te drinken geven,” laat dat het meisje zijn dat u bestemd hebt voor uw dienaar Isaak. Als zij zo reageert, zal ik weten dat u mijn meester genegen bent.’
15 Hij was nog niet uitgesproken, of Rebekka kwam de stad uit, de dochter van Betuël, die de zoon was van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor, met haar kruik op haar schouder. 16 Ze was een heel knap meisje, een maagd nog, er had nog nooit een man met haar geslapen. Ze liep naar beneden, naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer terug. 17 De knecht snelde haar tegemoet en vroeg haar: ‘Mag ik alsjeblieft wat water drinken uit je kruik?’ 18 ‘Ga uw gang, heer,’ antwoordde ze, en dadelijk liet ze de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken. 19 Toen hij genoeg gedronken had, zei ze: ‘Ik zal ook voor uw kamelen putten tot ze genoeg hebben gehad.’ 20 En meteen goot ze haar kruik leeg in de drinkbak en haastte ze zich terug naar de put om opnieuw water te halen. Ze putte water voor al zijn kamelen. 21 Zwijgend sloeg de man haar gade, terwijl hij zich afvroeg of de HEER hem had doen slagen of niet. 22 Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring te voorschijn die wel een halve sjekel woog, en twee gouden armbanden, die tien sjekel zwaar waren. 23 ‘Mag ik je vragen van wie je een dochter bent?’ vroeg hij. ‘En is er misschien in je vaders huis zo veel ruimte dat wij daar kunnen overnachten?’ 24 ‘Ik ben een dochter van Betuël, de zoon van Milka en Nachor,’ antwoordde ze. 25 ‘En jazeker, we hebben stro en meer dan genoeg voer, en ook plaats om te overnachten.’ 26 Toen viel de man op zijn knieën, boog zich neer voor de HEER 27 en zei: ‘Geprezen zij de HEER, de God van mijn meester Abraham, die mijn meester zijn genegenheid en trouw niet heeft onthouden. De HEER heeft mij naar het huis van mijn meesters verwanten gebracht.’ 28 Het meisje rende naar huis, naar haar moeder, en vertelde wat er was gebeurd.
29 Nu had Rebekka een broer, Laban. Deze haastte zich de stad uit, om naar de man bij de bron te gaan; 30 zodra hij de neusring had gezien en de armbanden die zijn zuster om had, en van haar had gehoord wat de man tegen haar had gezegd, ging hij naar hem toe. De man bleek nog bij zijn kamelen te staan, bij de bron. 31 ‘Komt u toch mee, u op wie de zegen van de HEER rust,’ zei Laban. ‘Waarom blijft u hier buiten staan, terwijl ik het huis al in gereedheid heb gebracht en er plaats is voor uw kamelen?’ 32 Daarop ging de man met hem mee naar huis. De kamelen werden afgezadeld, ze kregen stro en voer, en er werd water gebracht zodat de man en zijn metgezellen hun voeten konden wassen. 33 Ook werd hem een maaltijd voorgezet, maar hij zei: ‘Voordat ik ga eten moet ik u iets zeggen.’ ‘Ga uw gang,’ zei Laban. 34 Toen zei hij: ‘Ik ben een knecht van Abraham. 35 De HEER heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden: hij heeft hem schapen, geiten en runderen gegeven, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. 36 En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen ze al oud was; aan hem zal hij al zijn bezittingen nalaten. 37 Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren. Hij zei: “Je mag voor mijn zoon geen vrouw zoeken onder de meisjes van Kanaän, het land waar ik nu woon. 38 Je moet naar mijn eigen familie gaan, naar mijn naaste verwanten, en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken.” 39 Toen zei ik tegen mijn meester: “Misschien wil die vrouw niet met mij meegaan.” 40 Maar hij antwoordde mij: “De HEER, naar wiens wil ik mij steeds heb gericht, zal zijn engel met je meesturen en ervoor zorgen dat je binnen mijn familie, onder mijn naaste verwanten, een vrouw vindt voor mijn zoon. 41 Je mag je alleen dan ontslagen achten van deze eed wanneer je naar mijn familie bent gegaan en ze haar niet aan je meegeven; in dat geval ben je van deze eed ontslagen.” 42 Welnu, vandaag kwam ik bij de bron hier en ik zei: “HEER, God van mijn meester Abraham, als u mijn onderneming werkelijk wilt laten slagen ... 43 Ik sta hier bij deze bron. Als er nu een jonge vrouw de stad uit komt om water te putten en ik vraag haar: ‘Wil je me alsjeblieft een beetje water uit je kruik geven,’ 44 en ze antwoordt: ‘Ga uw gang, ik zal ook voor uw kamelen water putten,’ laat dat dan de vrouw zijn die u, HEER, hebt bestemd voor de zoon van mijn meester.” 45 En nog voordat ik was uitgesproken, kwam Rebekka de stad uit, met haar kruik op haar schouder. Ze liep naar beneden, naar de bron, en putte water. Ik vroeg haar of ze me wat te drinken wilde geven. 46 Meteen nam ze de kruik van haar schouder en zei: “Ga uw gang, ik zal ook uw kamelen te drinken geven.” Toen dronk ik zelf wat en heeft ze ook de kamelen te drinken gegeven. 47 Ik vroeg haar van wie zij een dochter was. “Van Betuël,” antwoordde ze, “de zoon van Nachor en Milka.” Toen deed ik de ring in haar neus en de armbanden om haar polsen. 48 En ik ben op mijn knieën gevallen en heb me neergebogen voor de HEER, en ik heb de HEER, de God van mijn meester Abraham, geprezen: hij heeft mij de goede weg gewezen en zo heb ik voor zijn zoon de kleindochter van mijn meesters broer gevonden. 49 Welnu, als u mijn meester blijk wilt geven van genegenheid en trouw, zegt u het mij dan. Zo niet, zeg het mij dan ook, zodat ik ergens anders op zoek kan gaan.’ 50 Laban en Betuël antwoordden: ‘De HEER heeft dit alles zo beschikt. Hoe zouden wij er dan tegenin kunnen gaan? 51 Hier is Rebekka. Neem haar met u mee en laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester, zoals de HEER het wil.’ 52 Bij het horen van dat antwoord boog Abrahams knecht zich diep neer voor de HEER. 53 Hierna haalde hij zilveren en gouden sieraden en kledingstukken te voorschijn en gaf ze aan Rebekka. Ook haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken. 54 En nadat hij en zijn metgezellen gegeten en gedronken hadden overnachtten ze daar.
Zodra ze de volgende morgen waren opgestaan, zei hij dat hij nu graag terug wilde gaan naar zijn meester. 55 Maar Rebekka’s broer en haar moeder zeiden: ‘Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven, daarna mag ze met u mee.’ 56 Hij antwoordde echter: ‘Houd mij niet op nu de HEER mij heeft laten slagen. Sta me toe te vertrekken en terug te gaan naar mijn meester.’ 57 ‘Laten we het meisje zelf roepen,’ zeiden ze, ‘en haar vragen wat zij wil.’ 58 Dus riepen ze Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ ‘Ja,’ antwoordde ze. 59 Toen namen de familieleden afscheid van Rebekka, en ook van haar voedster en van Abrahams knecht en zijn mannen. 60 Daarbij zegenden ze Rebekka met de woorden: ‘Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe, en moge de stad van de vijand hun in handen vallen.’ 61 Rebekka en haar dienaressen maakten zich klaar, bestegen de kamelen en reden achter de knecht aan. Zo vertrok hij, met Rebekka.
62 Isaak, die in de Negev woonde, was naar de bron Lachai-Roï geweest. 63 Tegen het vallen van de avond ging hij het veld in om daar te treuren. Toen hij opkeek zag hij plotseling kamelen naderen. 64 Ook Rebekka keek op. Zodra ze Isaak zag, liet ze zich van haar kameel glijden. 65 ‘Wie is die man die ons daar in het veld tegemoet komt?’ vroeg ze aan de knecht. ‘Dat is mijn meester,’ antwoordde hij. Daarop bedekte ze zich met haar sluier. 66 De knecht vertelde Isaak wat hij allemaal gedaan had. 67 Daarna bracht Isaak Rebekka naar de tent van Sara, zijn moeder. Hij nam haar tot vrouw en ging van haar houden. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.

Johannes 4:1-41
1 Toen Jezus hoorde dat aan de Farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2 – Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 3 verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. 4 Daarvoor moest hij door Samaria heen. 5 Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten (plaats van rust, BM); het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Jezus, 14 ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15 ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17 ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19 Daarop zei de vrouw: ‘Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent! 20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, die met u spreekt.’
27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: ‘Wat wilt u daarmee?’ of ‘Waarom spreekt u met haar?’ 28 De vrouw liet haar kruik staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar: 29 ‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?’ 30 Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem toe.
31 Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Rabbi, u moet iets eten.’ 32 Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel (valentinus, plaats waar je voedsel van ontvangt) dat jullie niet kennen.’ 33 ‘Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben?’ zeiden ze tegen elkaar. 34 Maar Jezus zei: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. 35 Jullie zeggen toch: “Nog vier maanden en dan komt de oogst”? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! 36 De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. 37 Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait. 38 Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.’
39 In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in hem door het getuigenis van de vrouw: ‘Hij weet alles van me.’ 40 Ze gingen naar hem toe en vroegen hem bij hen te blijven. Toen bleef hij nog twee dagen. 41 Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat hij zei; 42 ze zeiden tegen de vrouw: ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.’


Nag Hammadi geschriften I.2, 36.20-26

 


Reacties (11)

Dit logion houdt mij al even bezig.

Ik vraag mij af of de kruik symbool staat voor het onderbewustzijn.
Het ongemerkt leeglopen van de kruik zou dan kunnen staan voor het reinigen van het onderbewustzijn, vrij worden van conditioneringen, oude ervaringen, oordelen, etc. en kunnen beginnen met een schone lei (een lege kruik). Met andere woorden als het proces eenmaal bewust is ingezet (een vrouw haar weg gaande), dan doet het onderbewustzijn daarna vanzelf zijn werk. Zoiets (?)

Kortom, dit logion houd mij bezig, ik ben benieuwd naar de toelichting.


Ja, mooi.


Leuk Alexandra dat je blijkbaar ook met dit logion puzzelt. Ik denk dat je met je verwijzing naar het onderbewuste goed zit. Wat bij mij naar boven kwam is, dat de vrouw het pas merkt dat haar kruik leeg is als ze THUISKOMT. Als het diepe besef van gods liefde echt tot haar doordringt. Tijdens het onderweg zijn heeft ze niet opgemerkt dat haar last steeds lichter werd. Maar THUISGEKOMEN realiseert ze zich wat er onderweg gebeurt is. Dat je onderbewuste blijkbaar voor je aan het werk is geweest om je te helpen de weg naar HUIS steeds lichter te maken. Dit fenomeen, dat men het gevoel heeft dat er in jezelf gewerkt wordt door "iets", vind je ook terug in de literatuur van mystici.
Je besef dan ineens wat je eigenlijk allemaal al gedaan hebt om THUIS te komen. En, weet je ook glashelder (je onbewuste is bewust geworden) wat er nog te doen staat om voor altijd THUIS te blijven.


Wat raar....ik dacht altijd dat het meel in die kruik meer stond voor "voedsel" wat je achterlaat op je levenspad en dat ,als je dan "thuiskomt" je taak er opzit. En als het dan goed is, je kruik leeg is zonder dat je het je eigenlijk bewust was tijdens je levenspad: dat je voedsel gaf aan diegenen die na je kwamen en er zich mee gevoed hadden. Dat dus daar "het koninkrijk van de vader" mee bedoelt was...
Maar ik lees ook in andere vertalingen dat ik er helemaal naast zit met die gedachte nu.


Kenmerkend is natuurlijk dat de vrouw op weg gaat, zoals Alexandra opmerkt. Maar vooral dat ze HAAR weg gaat.
Het is dus belangrijk dat je je eigen weg gaat, trouw aan jezelf blijft. En ook al merk je onderweg misschien niet dat je langzaam aan het veranderen bent, dan ineens ben je thuis. Thuis, niet alleen in jezelf, maar gewoon thuis in alles.
Ik vind dit een van de mooiste teksten uit het Thomas evangelie.


Maar Leni, jouw uitleg van dat meel kan toch gewoon bestaan in combinatie met die andere visies. Voeg het er gewoon aan toe. Die anderen hadden het niet over het meel, jij wel.


Bedankt voor het reageren! Het lijkt hier wel één grote snoepwinkel, leuk, interessant en leerzaam!

Ik merk dat ik bij het interpreteren van het Thomas evangelie vooral afga op de ervaring in mijn binnenwereld en mijn beleving daarvan. Dit maakt het heel persoonlijk. Bij verschillende logions ben ik dan ook geraakt door de herkenning die ik vind. Wonderlijk hoe zo'n eeuwen oude boodschap kan spreken.

En, weet je ook glashelder (je onbewuste is bewust geworden) wat er nog te doen staat om voor altijd THUIS te blijven.

Wil, een waar woord, Eenmaal THUIS GEKOMEN begint het leven pas.



Dit vind ik het mooiste logion van Thomas.

Het meel dat de vrouw draagt, in een kruik die normaal op het hoofd wordt gedragen,
verwijst volgens mij naar ons denken.

Ze gaat ver van huis, dus weg van haar bindingen.
En juist dan breekt het oor van de kruik. Wie oren heeft, laat hem horen. Vanaf nu hoort ze.

Wat ik heel mooi vindt is dat het meel zich vanzelf ledigde, de gedachten vloeien weg zonder wilshandeling. Ze is zich er niet eens van bewust en zou het voorval wellicht nog als een ongeluk bestempelen.

En dan komt ze thuis en ontdekt dáár dat ze dezelfde niet meer is.
Het hele verleden dat ze meetorste in haar hoofd is verdwenen. Ze is thuis en vrij.


Zelfrealisatie, de Liefde in jezelf aan het woord laten. Daar in je eigen omgeving van schenken. De vrouw was aan het schenken en had het misschien zelf niet eens door. Maar bevrijdde zichzelf van waarden en dogma’s die door anderen opgelegd waren. Door zichzelf te zijn. Als je jezelf kent kun je ook anderen helpen in dat proces van vrijmaken. Dat was de ‘genezende kracht’ van Jezus en ook van onszelf. Je speelt geen rol meer, maar bent jezelf.


#43233.. Heel helder en kernachtig dit stukje Frits!

De kruik was leeg en de vrouw was weer 'thuis'.., helemaal zich zelf!
Al het 'aangenomene' had ze losgelaten.

De 'leegte' is te vergelijken met het koninkrijk van de Vader.
De leegte is voorwaarde voor de volheid van het Koninkrijk.


Het meel kun je inderdaad zien als de dogma’s, leerstellingen en beelden die je met je meedraagt. Maar omdat het hier vergeleken wordt met meel, had het dan ook niet zijn doel en nut, zoals meel ook nuttig is?
De vrouw gooit het meel (dogma’s etc.) ook niet bewust weg, maar omdat ze op weg is naar huis, met dat doel voor ogen, viel het meel gaandeweg vanzelf weg. Het hebben van dogma’s etc. wordt volgens mij hiermee ook niet veroordeeld, ze kunnen zo hun nut hebben op je weg, zolang je maar je doel, je huis, niet uit het oog verliest, dan zullen ze vanzelf ruimte maken.
Haar kruik was oorspronkelijk ook leeg, het werd gevuld met meel, en ze kwam weer 'thuis' toen het weer 'leeg' was, de oorspronkelijke staat van haar kruik.


 


Reageer

Alle velden zijn verplicht. Je moet een geldig e-mailadres invullen.
Je e-mailadres is niet zichtbaar op de site.
Om spam te voorkomen worden berichten met http:// geweigerd.


Naam:
E-mail:
Reactie: