Evangelie van Filippus
‘dood’


3
Wie erven wat dood is, zijn zelf dood en ze erven wat dood is. Wie erven wat levend is, die leven en ze erven zowel wat levend is als wat dood is. Degenen die dood zijn, erven niets, want hoe zou wie dood is moeten erven? Als de dode het levende erft, zal hij niet sterven, maar des te meer leven.

5
Sinds de dag dat Christus gekomen is, wordt de wereld geschapen, worden de steden versierd en wordt wie dood is naar buiten gedragen.

14
Er zijn machten die met de mens strijden omdat ze niet willen dat hij [gered wordt] zodat ze [...] Want als de mens [gered wordt, zullen er geen] offers meer zijn [...] en er zullen geen dieren meer worden opgedragen aan de machten [...] Ze werden levend aan hen opgedragen, maar toen ze geofferd werden, stierven ze. De mens werd dood aan God opgedragen en hij werd levend.

21
Degenen die zeggen: ‘De Heer is eerst gestorven en (toen) opgestaan’, dwalen. Want hij is eerst opgestaan en (toen) gestorven. Als iemand zich eerst de opstanding verwerft, zal hij dan niet sterven? Zo (waar) God leeft, dan zou hij (al) [dood] zijn.

63
Men is ófwel in deze wereld óf in de opstanding óf op de plaatsen die in het midden zijn - hopelijk zal ik daar niet aangetroffen worden! In deze wereld is er goed en kwaad. Het goede in de wereld is niet goed. En wat slecht in haar is, is niet slecht. Maar na deze wereld is er het kwaad dat echt kwaad is. Het wordt ‘het midden’ genoemd. Het is de dood. We moeten ons de opstanding verwerven in de tijd dat we nog in deze wereld zijn opdat we, wanneer we ons van het vlees ontdoen, in de Rust aangetroffen mogen worden en ons niet in het midden ophouden. Want velen verdwalen onderweg. Het is goed uit de wereld te gaan voordat men gezondigd heeft.

71
In de tijd dat Eva in Adam was, was er geen dood. Toen zij zich van hem scheidde, ontstond de dood. Als hij weer volledig wordt en tot zichzelf komt, zal er geen dood meer zijn.

78
Als de vrouw zich niet van de man gescheiden had, dan zou ze niet met de man sterven. Met zijn scheiding begon de dood. Christus is gekomen om de scheiding, die in het begin is ontstaan, weer ongedaan te maken, de twee weer te verenigen en het leven te geven aan hen die door de scheiding gestorven zijn en hen te verenigen.

93
Deze wereld eet kadavers. Alles wat men er eet, is ook dood. De waarheid eet wat leeft. Daarom zal niemand die zich met haar voedt, sterven.

94
God legde een paradijs aan. De mens leefde in het paradijs. Er zijn [...} van God [...]
Dit paradijs is de plaats waar mij gezegd zal worden: ‘[... eet] dit of eet het niet, zoals je zelf wilt’. Dit is de plaats waar ik alles zal eten, omdat hier de boom der kennis is. Die boom doodde Adam, maar hier heeft de boom der kennis de mens levend gemaakt. Die boom was de wet. Hij kan inzicht in goed en kwaad geven, maar hij nam niet het kwaad van hem weg en evenmin gaf hij hem een plaats in het goede. Maar hij veroorzaakte dood voor degenen die van hem aten, want doordat hij zei: ‘Eet dit, eet dat niet’, werd hij het begin van de dood.

109
Door het doopwater te vervolmaken heeft Jezus de dood weggegoten. Daarom dalen we niet af in de dood wanneer we afdalen in het water. Zodat we niet weggegoten worden met de geest van de wereld. Wanneer die geest waait, wordt het winter; wanneer de Heilige Geest waait, wordt het zomer.