Het lichaam als de kerker van de ziel?

Het dualisme van Plato

 

Plato wordt geacht de grootste filosoof te zijn van de westerse filosofische traditie. De filosoof Whitehead schreef in de vorige eeuw zelfs dat de westerse filosofie bestaat uit voetnoten bij Plato. Wat Jezus was voor het christendom, was Plato voor de westerse filosofie. We zullen straks zien dat Jezus, althans de Jezus van het traditionele, kerkelijke christendom, nog wel wat meer overeenkomsten vertoont met Plato.
Want de invloed van Plato op de vorming van het kerkelijk christendom is onmetelijk groot geweest. Inhoudelijk is de paus van Rome eerder de opvolger van Plato dan van Petrus.
De invloed van Plato op het christendom was zelfs zo groot dat het niet aan de aandacht van de latere kerkvaders kon ontsnappen dat veel christelijke ideeën wel erg veel op die van Plato leken. Maar hoe kon dat nu? Plato was toch een heiden? Hij leefde lang voor Christus en hoe kon hij weten wat hij wist, terwijl het christendom toch pas door Christus zou worden geopenbaard?
Men bedacht daarvoor verschillende oplossingen.
De eerste was dat Plato naar Egypte was gereisd en daar Mozes had leren kennen, en daar had hij het van, want Mozes kende al de toekomstige plannen van God met Jezus.
De tweede verklaring was nog veel slimmer. Het was het werk van de Duivel! Die was al eeuwen voor de komst van Christus te weten gekomen wat Christus zou gaan openbaren en hij had die kennis aan Plato meegedeeld, om zo verwarring te zaaien onder de mensen. Ze noemden dat geen nabootsing maar voorbootsing, duivelse imitatie op voorhand.
De derde verklaring was dat God zelf Plato had geïnspireerd met de bedoeling het heidendom op de komst van Christus voor te bereiden.
Ja, ja.
Plato werd een jaar na de dood van Pericles geboren. Pericles kennen we al van zijn eerder besproken beroemde grafrede. In de ideeëngeschiedenis van de Griekse oudheid is Plato echter de volstrekte tegenpool van Pericles.
Pericles zag de menselijke vrijheid als een groot goed. Daar had Plato geheel andere opvattingen over, zoals we nog zullen zien, maar eerst bespreken we een anders aspect van de filosofie van Plato, namelijk zijn dualisme van materie en geest.

Materie en geest

Plato verdeelde de werkelijkheid in twee zijnssferen, materie en geest.
Laten we eens nagaan wat hij daarmee beoogde.
Alle materie zag Plato als tijdelijk en vergankelijk en dus minderwaardig,. Maar het geestelijke zag hij daarentegen als eeuwig en onveranderlijk en daardoor ver boven de materie verheven. Het lichaam van de mens behoort tot de zijnssfeer van de materie, en de ziel van de mens behoort tot de zijnssfeer van de geest. aldus Plato. Zo bracht Plato een onderscheid aan tussen het lichaam van de mens, dat louter materie is, en de ziel van de mens die zuiver geestelijk is. Dus zijn het lichaam van de mens en de menselijke ziel geheel van elkaar onderscheiden, ze behoren tot twee verschillende zijnssferen.
Plato lanceerde zelfs de opvatting dat het lichaam van de mens een kerker is van de ziel. De verheven geestelijke ziel zit volgens hem gevangen in een verachtelijk lichaam. De door Plato in zijn boek Phaedo gepopulariseerde verachting van het lichaam en de verheerlijking van de ziel werden enkele eeuwen later door het zich vormende christendom nagenoeg letterlijk overgenomen. Dat is des te opmerkelijker omdat de joodse traditie, waarvan het christendom toch een voortzetting zou zijn, dat onderscheid van materie en geest, van lichaam en ziel, helemaal niet kende. De Phaedo van Plato genoot echter onder de vroege kerkvaders een grote populariteit.
Plato legt in de Phaedo uit hoe het lichaam van de mens een barrière vormt op de weg naar de waarheid. De waarheid is zuiver geestelijk van aard. Wie deze waarheid wil leren kennen, moet zich dus losmaken van zijn lichaam. Alleen wie zich volledig bevrijdt van alles wat met het lichaam te maken heeft, kan schouwen in de geestelijke sfeer van de eeuwige en onveranderlijke waarheid, aldus Plato.
Hij schreef:

Een echte wijsgeer kun je daaraan herkennen dat hij meer dan andere mensen ernaar streeft zijn ziel te bevrijden uit de gemeenschap met het lichaam.
Alleen wie zo zijn ziel bevrijdt van zijn lichaam kan de waarheid kennen, want:
Als de ziel beproeft iets te onderzoeken samen met het lichaam, wordt ze door het lichaam bedrogen.

En dus, meende Plato, moeten we in dit leven, nog gekluisterd aan ons verachtelijk lichaam, alvast een voorschot nemen op de dood, want:

Noemden we niet zojuist ‘de dood’: de bevrijding van de ziel van het lichaam? En beweerden we niet dat het vrij maken van de ziel het streven is van de ware wijsgeren?
Welnu, ware wijsgeren oefenen zich in het sterven.
Zo formuleerde Plato de eis tot versterving van het lichaam als voorwaarde voor ware geestelijke kennis. De ‘ware wijsgeer’ volgens Plato werd later het rolmodel van de rooms-katholieke ‘geestelijke.’ De eis tot versterving van het lichaam vind men overigens ook bij de protestanten. Zo stelde Luther, een van de grondleggers van het protestantisme, in zijn beroemde Stellingen van Wittenberg dat het besef van eigen zondigheid niet voldoende is voor het verwerven van Gods genade, want:
Het besef van zondigheid is zonder enige betekenis als het niet de dood van het vlees bewerkstelligt. (Luther, Stelling 3)
En ook de andere voorman van het protestantisme, Calvijn, sprak begeesterd over ‘de zondigheid des vlezes.’
En dat alles in navolging, nee, niet van Jezus, want die heeft het daar als jood nooit over gehad, maar van Plato.
Het is duidelijk wie volgens Plato het beste weten wat goed is voor alle mensen: dat zijn natuurlijk de echte wijsgeren. Iemand die afstand doet van zijn lichamelijkheid weet beter dan het gewone volk wat goed is voor dat volk, want het gewone volk is niet bereid zich van het lichaam los te maken, en kan dus de geestelijke werkelijkheid niet zelf waarnemen. Daarom is de ‘echte wijsgeer’geroepen als zielenherder leiding te geven aan het gewone volk.
Zo leidt dus het filosofische onderscheid tussen materie en geest, tussen lichaam en ziel, vanzelf tot de wenselijkheid van een hiërarchische maatschappelijke ordening.
Nog steeds geheel in navolging van Plato schreef paus Pius X daarom in de encycliek Vehementer (1906 ):
De kerk is van nature een ongelijke gemeenschap. Zij omvat twee categorieën van personen: de herders en de kudde. De massa heeft geen ander recht dan te aanvaarden, geleid te worden en met onderwerping de bevelen te volgen van wie haar leiden.

In zijn boek, De Wetten, geeft Plato nog wat nadere instructies hoe de ‘ware wijsgeren’ het volk moeten opvoeden.
We herinneren ons wellicht nog dat Pericles zei, als kenmerk van de Atheense samenleving:

Wij belemmeren onze naaste niet als deze verkiest zijn eigen weg te gaan.
Als kenmerk van de samenleving in Athene in de klassieke oudheid noemt Pericles hier dat in Athene elk mens het recht heeft over zijn eigen leven te beschikken. Daar is paus Benedictus XVI het bepaald niet mee eens, want kort nadat hij in 2005 tot paus werd verkozen sprak hij in een redevoering:
De mens moet niet denken dat hij over zichzelf kan beschikken.
En daarin herhaalt ook deze paus een oud standpunt van Plato. Want voor Plato was zelfbeschikking een geheel verwerpelijke zaak. Hij schreef:
Het belangrijkste is dat nooit iemand, man nog vrouw, zonder aanvoerder is. En laat ook in niemands geest de gewoonte post vatten om op eigen houtje iets te doen, zomin in ernst als bij wijze van spel. Zowel in oorlog als in vrede zal elkeen steeds met de ogen gericht op de leider trouw diens leiding volgen en zichzelf in de meest onbetekenende details aan zijn bevel onderwerpen... Met één woord: men zal zichzelf de kennis en de gewoonte eigen maken om zelfs elke gedachte aan een afzonderlijke actie, buiten de anderen om, en elke mogelijkheid daartoe te vermijden.’ (Plato, De Wetten, 492a)
Hoe bereik je zoiets? In De Wetten werkt Plato het middel, de inquisitie, zorgvuldig uit. Vrijheid van gedachte, kritiek op politieke instellingen, nieuwe ideeën leren aan de jeugd, pogingen om nieuwe religieuze praktijken in te voeren, het zijn alle misdaden die met de dood moeten worden bestraft. Alleen iemand die ‘van nature een goed karakter heeft’ krijgt van Plato bij wijze van gratie minstens vijf jaar in een opvoedingsgesticht. (De Wetten, 908-910)
Het hoogste geluk is datgene te doen waartoe men voorbestemd is, aldus Plato. Voor de werkers is dat werken, en niets anders.
Elkeen moet het werk doen dat hem is opgedragen. Dat moet hij doen en niemand heeft de tijd om ziek te zijn en te genezen.
De artsen hebben...
...geen recht om aandacht te besteden aan iemand die zijn normale plicht niet meer kan vervullen, want zo iemand is zonder nut voor zichzelf en voor de staat.
(Plato, De Staat, 406-407)
Het mensenras moet zuiver gehouden worden door dezelfde principes toe te passen als bij het fokken van honden, en kinderen die niet aan de staatsnorm voldoen moeten worden gedood, precies zoals je dat volgens Plato bij honden zou doen:
Als je honden niet op die manier zou fokken denk je niet dat ze dan snel zouden degenereren? Hetzelfde geldt voor het mensenras. Mannen en vrouwen moeten daarom aan strenge eisen voldoen om kinderen te mogen verwekken en baren. Niet goedgekeurde ouders die toch een kind krijgen dienen te beseffen dat er voor zo’n kind geen eten is. ((Plato, De Staat 459-461)
Plato predikt de totale onderwerping van het individu aan de staat. Dat is de nieuwe, door hem verheerlijkte kudde.
Het is in het belang van de staat toegestaan om tegen het volk te liegen:
Het is de taak van de leiders om leugens te vertellen, om de vijand en het volk te misleiden in het belang van de staat. (Plato, De Staat, 382, 389)

En natuurlijk is dat alles gerechtigheid. Plato. als ‘ware wijsgeer’ weet immers hoe de mensheid gelukkig kan worden. Dus is inquisitie, leugen, kindermoord, dat alles is ‘goed’, ja zelfs noodzakelijk om het heilige doel, het geluk op aarde, te bereiken. Het vermeende bezit van de waarheid wordt zo het recht om de medemensen te dwingen volgens die waarheid te leven, en nog wel in hun eigen belang.
Het meeste leed op aarde wordt veroorzaakt door wereldverbeteraars in het bezit van de waarheid. ‘Dwing hen om in te gaan!’, riep Augustinus vier eeuwen na Christus uit, toen hij het geweld tegen andersdenkenden als een opdracht van God uitlegde. Nee, dat was beslist niet in navolging van de man die leerde dat men zijn naaste moest liefhebben, zelfs zijn vijand. Maar Plato en de God der wrake van het Oude Testament, ja, dat voegde zich prima.

In zijn boek De Staat schetst Plato de contouren van een ideale samenleving. Als u wilt weten op welke wijze de kerk van Rome de aanbevelingen van Plato voor het stichten van een ideale samenleving in de praktijk heeft gebracht, kan ik u mijn boek aanbevelen: De Katharen
en de overwinning van de vrijheid
.

U kunt deze tekst downloaden als Word-document.

Dit is een pagina van de website www.brammoerland.com